Ad link to www.loxia.net on your website. Rightclick to download banner:
use this link for banner or html-code of www.loxia.net

Kruisbekken zijn vogels die voorkomen, in naaldboombossen, op het gehele noordelijke halfrond van onze wereld; Europa, Azië, Noord Amerika en Noord Afrika. Ze zijn herkenbaar aan de karakteristieke gekruiste snavel waarmee ze naaldboomzaden, hun hoofdvoedsel, makkelijk kunnen bereiken. Mannetjes zijn rood, oranje of geel, vrouwtjes hebben een grijsgroen verenkleed. Loxia.net beschrijft de kruisbek in al zijn facetten; zijn uiterlijk, gedrag, voortplanting, eetgedrag enzovoort, zowel als cultuurvogel als in de natuur.

Kreuzschnäbel sind Vögel, die hauptsächlich in den Nadelbaumwäldern der ganzen nördlichen Hemisphärevorkommen; in Europa, Asien, Nordamerika und in Nordafrika. Sie sind erkennbar am charakteristisch gekreuzten Schnabel, mit dem sie ihre Hauptnahrung, Nadelbaumsamen, erreichen können. Die Hähne sind rot, orange oder gelb gefärbt, die Weibchen haben eine graugrüne Befiederung. Loxia.net beschreibt die Kreuzschnäbel im Detail: Wie man sie erkennen kann, ihr Verhalten, die Zucht, das Futterverhalten, Kreuzschnäbel in Züchterhand (Kulturvögel) ebenso, wie in der Natur.

 

DE GEWONE KRUISBEKMy good friend Michel Ottaviani, a french ornithologist (attché to Paris museum) has written a very good book  on the Finches "Monographie des Fringilles" that will be published in december.



Duitsland: Fichten Kreuzschnabel
Engeland: Common crossbill
Frankrijk: Bec croisé des sapins

Spanje: Picotuerto rojo





Het volwassen mannetje heeft een karmijnrood verenkleed, donkere gedeeltes ter plaatse van staart en vleugelpennen.Verder vanaf de ooghoek aflopend als een halve maan richting borst. Kleur van de poten is zwart. Het volwassen vrouwtje is daarentegen olijf-groen tot grijsachtig getint waarbij de donkere gedeeltes gelijk zijn aan die van de man. De jongen hebben de kleur van de moeder, alleen lichter waarbij ze over de hele borst tot aan de onderbuik gestreept zijn. De lengte van de vogel is ± 16 cm. De himalaya kruisbek is de kleinste vorm en meet ± 14 cm. De zang, die ook wel tijdens de vlucht ten gehore wordt gebracht is luid, met een verweven roep "tsjierie-tjierie-tseuf" of "glipp-glipp-tsjierie". De lokroep is verdragend en hoort zich aan als "stjuuk-stjuuk".
De verschillen tussen de gewone kruisbekken ondersoorten in Europa en Rusland zijn slechts gering. Loxia curvirostra Poliogyna in Noord-Afrika is wat lichter, Loxia Curvirostra Guillemardi in het zuidoosten, op Cyprus, in Turkije en de Kaukasus donkerder. Beide bezitten een zware snavel.


himalaya man foto pkIn Centraal- en Oost-Azië wijken de ondersoorten meer af. Deze zijn allen kleiner dan nominaatvorm. Het kleinste zijn Loxia Curvirostra Hymalayensis en Loxia Curvirostra Luzonensis, die fijne snavels bezitten. De Vietnamese Loxia Curvirostra Meriodonalis valt op door een zware snavel en de diep rode kleur van de man. Loxia Curvirostra Altaiensis en in het bij- zonder Himalayensis zijn donker gekleurd. Loxia Curvirostra Japonica heeft geheel witte onderstaartdekveren.
De Amerikaanse ondersoorten zijn alle kleiner dan curvirostra behalve de bloedrode Loxia Curvirostra Stricklandi uit Mexico, die tevens de grootste Noord Amerikaanse ondersoort is. Allerkleinst is oranje Loxia Curvirostra Sitkensis. Ook heel klein is bruinrode Loxia Curvirostra minor. Loxia Curvirostra Pusilla is donker van kleur, Loxia Curvirostra Benti is helderder rood. De Loxia Curvirostra Bendirei is minder groot maar de kleur is meer vuurrood. Loxia Curvirostra grinelli is weer groter en nog sterker vuurrood van kleur. Loxia Curvirostra Mesamericena, is weer kleiner en donkerder.

 

 

 

 

himalaya pop  foto pkDe ondersoorten voor het gemak onderverdeeld:

Europa en Noord-Oost Afrika:
Loxia Curvirostra Curvirostra
Loxia Curvirostra Corsicana
Loxia Curvirostra guillemardi
Loxia Curvirostra balearica
Loxia Curvirostra Poliogyna
Azie:
Loxia Curvirostra Altaiensis
Loxia Curvirostra Tianschanica
Loxia Curvirostra Japonica
Loxia Curvirostra hymalayensis
Loxia Curvirostra meriodonalis
Loxia Curvirostra luzonensis
Noord Amerika:
Loxia Curvirostra Pusilla
Loxia Curvirostra Minor
Loxia Curvirostra Benti
Loxia Curvirostra Bendirei
Loxia Curvirostra Sitkensis
Loxia Curvirostra Grinelli
Loxia Curvirostra Stricklandi
Loxia Curvirostra Mesamericana

 



Verspreidingsgebied:
De gewone kruisbek, Loxia Curvirostra Curvirostra is in Europa hoofdzakelijk te vinden in het Noord-Westen en Oosten, de Alpen en de Vogezen. Loxia Curvirostra Corsicana en Loxia Curvirostra Balearica vindt men op het eiland Corsica en de balearen aan. Verder vanaf de noordgrenzen van Europa tot de oostkust van Siberië komt Loxia Curvirostra Altaiensis voor. Loxia Curvirostra Poliogyna in Noord-Afrika, Loxia Curvirostra Guillemardi in het zuidoosten, op Cyprus, in Turkije en de Kaukasus. Loxia Curvirostra Mariae komt voor in de Krim.
In Centraal- en Oost-Azië treft men ondersoorten zoals Loxia Curvirostra Hymalayensis leeft zoals de naam ons al verteld in het Himalaya gebergte, waarbij hij in strenge winters alleen een op en neergaande trek laat zien en zich in deze periode tot ver in de dalen laat afzakken. Loxia Curvirostra Luzonensis komt voor op de Philipijnen. Loxia Curvirostra Meriodonalis komt voor in de bergen van zuid Annam, Viëtnam en de Loxia Curvirostra Japonica van Centraal en Oost China tot Japan. In Amerika komt de kruisbek komt de gewone kruisbek bijna over het gehele noordelijke continent voor, vanaf Zuidoost Alaska tot New Foundland via de grote bergketens richting Mexico.

Dhr Jeff Groth, ornitholoog, werkzaam voor het AMNH (american museum of natural history, heeft gedegen onderzoek gedaan naar de gewone kruisbek. Loxia Curvirostra Sitkensis vindt men aan de noordwest kust,de Loxia Curvirostra Minor en Loxia Curvirostra Pusilla (Newfoundland) aan de oost kust. Loxia Curvirostra benti in het midwesten. Verder naar het westen in de Rockies vindt men Loxia Curvirostra Bendirei, in Californië Loxia Curvirostra Grinelli en dieper naar het zuiden in Mexico treft men de Loxia Curvirostra Stricklandi aan en nog verder naar het zuiden in Honduras en Nicaragua leeft Loxia Curvirostra Mesamericena.

 


110A Volwassen gewoon kruisbek mannetje.
110b volwassen gewoon kruisbek popje.
110c jeugdkleed gewone kruisbek.
110d jeugdkleed gewone kruisbek (met smalle witte banden).
110e jong gewoon kruisbek mannetje 1e winter
110f volwassen gewone kruisbek mannetje (Loxia Poliogyna)
110g volwassen gewoon kruisbek popje (Loxia Poliogyna)
Tekening volgens Finches & sparrows door Clement, Harris & Davis. ISBN 0-7136-8017-2

DE HIMALAYA KRUISBEK
Duitsland: Himalaya Kreuzschnabel
Engeland: Himalayan crossbill
Frankrijk:


DE GROTE KRUISBEK

Duitsland: Kiefern Kreuzschnabel
Engeland: Parrot crossbill
Frankrijk:
Grote kruisbek man. foto pkNet als de schotse kruisbek wordt de grote kruisbek als een aparte soort beschouwd. Het verenpak van de grote kruisbek komt overeen met de gewone kruisbek. Opvallend is zijn snavel, die veel zwaarder en groter is. Tevens is de snavel van de grote kruisbek ronder doordat de hoek van kruising van de onder en bovensnavel haakser is. ook is hij een stuk groter dan de gewone kruisbek: ± 17 cm. Een ander verschil is ook wel de groter kop in verhouding met het lijf.

Grote kruisbek pop.  foto pk

 

 

Het geluid dat de grote kruisbek voortbrengd, onderscheid de grote kruisbek sterk van de andere kruisbekkensoorten. Het is veel krachtiger en dieper. Zijn lokroep "tjok-tsjok" is even diep als die van een foeragerende merel. Ook de alarmroep is veel dieper en harder en klinkt als "tsjerk-tsjerk".
De grote kruisbek heeft geen ondersoorten.
De grote kruisbek, Loxia Pytyopsittacus komt vooral voor in de noordelijke streken van europa en Rusland. Vanaf Noorwegen, Zweden, Finland richting het oosten. Heel sporadisch wordt hij bij ons als dwaalgast gesignaleerd. Hij wordt in het algemeen als standvogel beschouwd.



 

 

 

 

 

 

 

109a Volwassen grote kruisbek mannetje.
109b Volwassen grote kruisbek popje.
109c Jeugdkleed grote kruisbek

Tekening volgens Finches & sparrows door Clement, Harris & Davis. ISBN 0-7136-8017-2

 

DE SCHOTSE KRUISBEK

Duitsland: Schottischer Kreuzschnabel
Engeland: Scottisch crossbill
Frankrijk:


De schotse kruisbek ligt wat betreft grootte tussen de grote en de gewone kruisbek in (ongeveer 16,5 cm groot). Hun snavels hebben zich aangepast om de zaden van de schotse dennenboom te bereiken, waardoor deze forser zijn die van de gewone kruisbek. Karakteristiek zijn verder het afgeplatte schedeldek en dikke nek. Men kan stellen dat de schotse kruisbek het postuur heeft van de grote kruisbek, echter kleiner van stuk is. De vastgestelde populatie in het wild wordt geschat op 1500 tot 2000 individuen, waardoor de soort op de lijst van bedreigde vogelsoorten voorkomt.Schotse kruisbekken zijn geïsoleerde standvogels in de Schotse Hooglanden, om precies te zijn in de omgeving Deeside, Strathspey, Moray, Rossshire en the Great Glen, echter door de moeilijke identificatie zijn exacte gebieden moeilijk vast te stellen. Doordat er bij zijn hoofdvoedsel, zaden van de schotse pijnboom, jaarlijks weinig fluctuatie voorkomt in de zaadproductie, blijft deze populatie ter plekke. DNA-onderzoek toont aan dat hybridisatie met
de gewone kruisbek, die ook in noord schotland voorkomt, niet voorkomt. 

 

 


111a Volwassen schotse kruisbek mannetje.
111b Volwassen schotse kruisbek popje.
111c Jeugdkleed schotse kruisbek.

Tekening volgens Finches & sparrows door Clement, Harris & Davis. ISBN 0-7136-8017-2

DE WITBAND KRUISBEK

Duitsland: Binden Kreuzschnabel
Engeland: Two-barred crossbill
Frankrijk:




De witband kruisbek wordt onderverdeeld in 3 ondersoorten:
-Loxia Biafasciata
-Loxia Leucoptera
-Loxia Megaplagawitbandkruisbek man   foto pk

 

 


De witband kruisbek verschilt ten opzichte van de gewone en grote kruisbek niet qua tekening, maar door in alle kleden brede witte vleugelbanden te tonen en een ietwat kleinere snavel. De vleugeltekening van de witband kruisbek kun je vergelijken met de vleugeltekening van de (boek)vink man. De kleine dekveren zijn zwartbruin met rode omzoming en rode waas, de middelste rij is voor de helft wit en bezit een circa 1 cm witte band (de binnenste armpennen) en de grote armpennen zijn wit omzoomd. De lengte varieert van 14 tot 15 cm. De roep is zwakker en ieler en lijkt veel op de roep van de sijs.

witband pop foto pk

De 1e ondersoort Loxia Leucoptera Leucoptera is te vinden op het Noordamerikaans halfrond van New Scotia(Alaska) dwars door Canada tot New Foundland. Regelmatig trekt hij richting het zuiden tot aan Oregon, Montana, New York, Vermont, New Hampshire en Main tot zelfs in Idaho en Colorado. 
De 2e ondersoort, Loxia Leucoptera Megaplaga komt alleen voor in de Dominicaanse republiek en Haïti, het zogeheten hispagniola. 
De 3e ondersoort, Loxia Leucoptera Bifasciata, is verpreid van Noord-Zweden en Finland tot in Oost-Siberië. De europese witbandkruisbek zwerft in groepen richting zuiden tot aan Engeland, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en ons land. witband jong  foto pk


 

 

 

 

 


 

 

 

 

112a Volwassen witbandkruisbek mannetje.
112b Volwassen witband kruisbek popje.
112c Jeugdkleed witbandkruisbek.
Tekening volgens Finches & sparrows door Clement, Harris & Davis. ISBN 0-7136-8017-2

 

ga naar de website van Henk Ruijgh

 

Kruisbekken kweken: een boeiende ervaring.
Willy janssens

Willy Janssens geeft kweekgeheimen prijsOm mijn kruisbekken op tijd in orde te krijgenvoor de kweek werden ze vanaf half december per koppel in hun kweekbox geplaatst. Enkele regelmatig vervangen dennentakken om hun knaaglust te doen botvieren, zorgden voor de aankleding van de boxen. Vanaf januari werd de gewone kanariemengeling met af en toe enkele zonnepitten (welke ze tot dan toe voorgeschoteld kregen) vervangen door een kruisbekkenmengeling met evenveel aleppozaden (grove). Ook werd dagelijks per koppel een handvol met een snoeischaar in stukken geknipte dennenappels verstrekt. Ik probeer op deze manier een oplossing te vinden voor het grote aantal onbevruchte eieren dat elk jaar weer bij veel kwekers van kruisbekken de oorzaak is van een mislukte of tenminste gedeeltelijk mislukte kweek. Om de mogelijkheid te onderzoeken dat het aan de voeding ligt, probeer ik daar op deze manier achter te komen. Of dit op korte termijn zal lukken is echter nog de vraag.
De verwachtingen waren hoog gespannen en toen ik van sommige kwekers hoorde dat ze reeds eieren en zelfs jongen van hun kruisbekken hadden, begon de twijfel en het ongeduld te knagen. Eindelijk, 15 februari, zag ik in box nr7 het popje van de gewone kruisbek voor de eerste maal met nestmateriaal slepen. Er werd echter meer afgebroken dan opgebouwd. Soms was het nestje bijna klaar, om dan enige tijd later, terug helemaal te zijn afgebroken. Gelukkig had ik in het nestkommetje een koordnestje vastgemaakt als voorzorg voor de slechte nestbouw. Op 20 februari werd daarin het eerste ei gelegd. Zo ook op 21 februari het tweede en tevens laatste ei. Het jonge popje broedde niet en daarmee was deze kweekronde voor dit koppel afgelopen. op 26 februari, begon deze pop terug een nest te maken. Ditmaal was het nest vlug en keurig afgewerkt. Op 1 maart lag hierin het eerste van een vier eieren tellend legsel. Deze keer broedde het popje voorbeeldig, maar toen ik na een zestal dagen de eieren schouwde, bleek er maar een bevrucht. Op 16 maart is het jong uitgepikt en door beide ouders gevoed en grootgebracht. Met een nieuw nest werd niet lang gewacht en op 28 maart werd het eerste ei gelegd. De eieren werden geraapt en na het leggen van het vierde ei teruggelegd. Na 6 dagen bleek bij controle dat ze allemaal bevrucht waren. De jongen kipten met weinig tijdverschil op 13 april.
Niettegenstaande dat en het feit dat beide oudervogels schijnbaar goed voederen, is er op de derde levensdag toch een jong gestorven. Als de jongen een tiental dagen oud waren, werd er reeds aangevangen met een volgend nest waarin op 26 april het eerste ei werd gedeponeerd. Ditmaal was het legsel volledig met vier eieren. Het jong van de eerste ronde zit nog er nog steeds bij in de kweekbox en wordt door de man nog steeds bijgevoederd (30 april). De 4 jongen van de 2e ronde liggen nog gemoedelijk in het nest en het popje zit rustig te broeden op haar 4 eieren. Waarachtig een raar gezicht! Het is op deze manier wel nodig een man te hebben die zeer goed voedert.
Ondertussen was in box 13 een koppel grote kruisbekken met nestbouw begonnen. Er werd veel met witte sharpie, kokos en witte watten rondgesleurd, maar toen op 3 maart het eerste ei werd gelegd, was er niet meer dan een paar sprietjes in de nestkom aanwezig. Geen erg, want het vooraf aangebrachte prefab nestje bewees nu zijn nut. Er werden slecht 2 eieren gelegd, beiden bevrucht, kwamen uit op 20 maart. Ik zag de pop enkele malen de jongen voederen en dacht dat alles vlot verliep. Echt het verloop volgen kon ik niet aangezien ik de pop nooit van het nest zag en ik haar niet durfde te storen. Na 5 a 6 dagen passeerde ik de kweekbox en zag dat de pop het nest verlaten had. Ik zag mijn kans waar om nestcontole te doen en wat ik zag viel mij zwaar tegen. De jongen waren nog veel te klein voor hun ouderdom. Vanaf dan heb ik de jongen 3 a 4 maal per dag wat voedsel opgespoten. Het scheen te lukken want nu groeiden ze veel beter. Ik heb dit enkele dagen volgehouden en net toen ik dacht dat ze het zouden redden, lagen beide s’morgens dood (het had die nacht tamelijk gevroren). Ze waren reeds enkele dagen geringd en bijna bepluimd. Enkele dagen later had de pop het nieuwe nest klaar. Ditmaal was de nestkom wel degelijk afgewerkt. Het eerste ei mocht ik rapen op 8 april, bij het vierde ei werden ze teruggelegd. Deze maal was ik vastbesloten regelmatig nestcontrole te doen. Ik heb intussen ondervonden dat dit bij kruisbekken heel goed mogelijk is. Ik moet bij diverse popjes de vogel praktisch met de vinger van het nest lichten om de eieren of de jongen te kunnen zien. Op 19 april lichtte ik de pop van het nest en zag dat ze nog 2 eieren had bijgelegd, nadat ik de geraapte eieren teruglegde. Tot mijn vreugde waren alle 6 eieren bevrucht. Vier jongen kwamen uit op 26 april, een vijfde op 27 april. Het zesde ei was wel bevrucht maar in een vroeg stadium afgestorven. De 2 laatst uitgekomen jongen werden onder een kanariepop gelegd, met de bedoeling om ze later als ze geringd waren terug onder de kruisbekken te leggen. Maar nadat er van de drie jongen die onder de moedervogel waren gebleven, entje het leven liet, legde ik voor alle zekerheid de twee overgebleven jongen bij de 2 anderen onder de kanarie, die veel beter gevoed waren. Net zoals de eerste ronde voedden de kruisbekken zeer slecht. De jonge kanaries werden onder de kruisbek gelegd. Ik was van plan de jonge kruisbekken terug te leggen bij de ouders, maar de kruisbekken voeden zo slecht dat na een 5tal dagen de kanaries het leven lieten. Er zat nu niks anders meer op dan de 4 grote kruisbekken volledig door de kanaries te laten grootbrengen. Ze werden in ieder geval zeer goed gevoerd, de pop (grote kruisbek) is intussen aan haar derde nest begonnen. Hopelijk zal ze ditmaal de jongen die er wellicht komen, zelf kunnen grootbrengen. In box nr16 had mijn oudste koppel gewone kruisbekken het klaar gespeeld om op twee dagen tijd een keurig nestje klaar te krijgen. En op 16 maart kon ik het eerste ei vanonder de pop vandaan halen. Angst voor verwikkelingen bij het storen van de pop had ik al lang niet meer nu ik ondervond dat ze zich weinig aantrekken van nestcontrole. De 4 eieren werden voorbeeldig bebroed, maar op de dag voor het uitkomen van de jongen, lag er een ei met volgroeid jong onder het nest stuk op de grond. Naar de oorzaak ervan kon ik slechts gissen. De drie overgebleven eieren kwamen allemaal uit en de jongen groeiden dat het een lust was om te zien. Op 8 april, het had s’morgens gevroren, lag een van de jongen dood onder het nest, met zeer goed gevulde krop. Waarschijnlijk is het jong bij bedelen naar voedsel uit het nest gesukkeld. De twee overgebleven jongen zijn zonder verdere tegenslag uitgevlogen. Omdat dit koppel reeds twee jaar na mekaar slechts 1 broedsel produceerde, rekende ik al niet meer op een volgend broedsel. De jongen waren echter nog niet uitgevlogen of de pop construeerde opnieuw een mooi nestje. Op 25 april begon ditmaal het legsel, dat weer 4 eieren telde. Bij nestcontrole na 6 dagen bleek dat weer alle eieren bevrucht waren. De twee uitgevlogen jongen zorgen tot hiertoe nog voor weinig overlast bij de broedende pop. Het nest hangt lager dan de zitstokken in de kweekbox, misschien is dat de reden dat de jongen niet op het nest komen zitten. In januari was ik er nog in geslaagd om een jonge pop grote kruisbek van te bemachtigen voor een man die ik van Gaston van Limbergen mocht gebruiken voor de kweek. Omdat deze pop weinig aanstalte maakte om met nestbouw te beginnen en het voor kruisbekken al laat in het seizoen begon te worden, legde ik me er al bij neer dat er dit jaar niet meer genesteld zou worden. Op 8 april zag ik echter het popje met nestmateriaal rondvliegen. Toe ik de volgende dag ging kijken was er niet het minste teken van nestbouw te zien. Het rondsleuren met nestmateriaal duurde zo nog enkele dagen zonder dat er enige zichtbare vooruitgang aan het nest zichtbaar was te merken. Tot op 13 april plotseling op een dag het nest volledig was afgewerkt. Blijkbaar was het nu dringend want de volgende morgen werd het eerste ei in het nest gedeponeerd. Er volgden er nog drie, zodat het broeden kon aanvangen met 4 eieren. Alle 4 eieren waren tot mijn vreugde bevrucht. Ook hier deed ik regelmatig nestcontrole (kwestie van de vogels daaraan gewend te maken). Zoals bij de meeste kruisbekken moest ik ook hier met de vinger het popje van het nest lichten en dan vlug kijken of ze zat alweer op de eieren. Op de 14e dag broeden (30april) bemerkte ik s’middags bij zo een nestcontrole dat er 2 jongen waren geboren. De volgende morgen ging ik terug zien en tot mijn opluchting zag ik nu dat er nu 4 jongen in het nest lagen. Tot mijn opluchting omdat ik de dag ervoor had gezien dat een van de eieren die nog moest uitkippen, gedeeltelijk was platgedrukt. Alles leek in orde toen ik een halve dag later nog eens nestcontrole deed, de jongen waren reeds goed gevoerd. Nu maar hopen dat dit zo verder gaat… Als laatste in de rij werd in box nr 1 door het popje begonnen op 10 april. Voorheen was er al verschillende keren een keurig nestje gebouwd, maar nog nooit had ik de pop met nestbouw bezig gezien. Het was telkens de man die nesten bouwde. Ik heb al elk jaar een paar mannen gehad die zelf een nest bouwden, maar zolang de pop geen nest bouwt, mag je de kweek wel vergeten. Deze keer was het echter wel de pop en ze legde vanaf 16 april 4 eieren. Weer waren alle eieren bevrucht. Het leek met de bevruchte eieren wel mee te vallen dit jaar. Een van de eieren bleek achteraf geblutst en het jong was afgestorven door uitdroging. De 3 overgebleven eieren kipten uit op 2 mei en de jongen schijnen goed te worden gevoederd.
Alle koppels kregen tijdens de kweek dezelfde voeding. Aleppo zaden, een mengeling voor kruisbekken, zelfgemaakt eivoer met aves en een weinig geweekte zaden (kiemmengeling, gestreepte zonnepitten, aleppo en kempzaad). De aleppozaden worden steeds aangevuld, zodat ze steeds aan de jongen kunnen worden gevoerd. Van het eivoer werd door de meeste koppels niets opgenomen. Slechts 2 koppels namen dagelijks een zeer kleine hoeveelheid eivoer. Grit en sepia werden voor en tijdens de eileg veel opgenomen.
Tot zo ver de voorlopige resultaten van de kruisbekkenkweek. Tot op heden: 7 uitgevlogen gewone kruisbekken: 8 jongen grote kruisbek: 8 jongen grote kruisbek (4-8 dagen oud) nog op het nest: 3 jongen gewone kruisbek van enkelen dagen en nog 2 broedende popjes met samen 8 eieren. Overwegende dat een paar jaar geleden van een 40tal eieren er geen enkel bevrucht was, is dit toch al een grote vooruitgang. Enkel van het eerste koppel kruisbekken waren er onbevruchte eieren in het begin. Hopelijk zet deze trend zich door. Ik zal in ieder gevalvoor volgend seizoen dezelfde verzorging handhaven, in de hoop dat het aantal bevruchte eieren niet zal teruglopen.

Met dank aan Gaston van Limbergen

Gepubliceerd in “De Europese vogelwereld” van de KEV 15e jaargang nr2 juni 2000.

Proefnummers worden aangevraagd aan KEV-bibliotheek. Willy Janssens Isschotweg 194 2222 Itegem Belgie tel 0032-15250040

 

VOLG DE GROEI VAN DE GROTE KRUISBEK:

Grote kruisbek pop op nest , 9-2-2005. foto pk 23 februari, Grote kruisbek 2  jongen, net uit het ei. foto pk

24 februari, Grote kruisbek 1 dag oud.  foto pk 26 februari, Grote kruisbek 3 dagen oud.  foto pk

27 februari, Grote kruisbek 4 dagen oud.  foto pk 28 februari, Grote kruisbek 5 dagen oud, net beringd.  foto pk

1 maart, Grote kruisbek 6 dagen oud, Goed gevulde krop.  foto pk 2 maart, Grote kruisbek 7 dagen oud.  foto pk

3 maart, Grote kruisbek 8 dagen oud.  foto pk 4 maart, Grote kruisbek 9 dagen oud.  foto pk

6 maart, Grote kruisbek 11 dagen oud.  foto pk 5 maart 2005. Grote kruisbek pop voert haar 3 jongenin B1 foto pk

5 maart 2005. Grote kruisbek man voert zijn 3 jongenin B1 foto pk 7 maart, Grote kruisbek 12 dagen oud.  foto pk

8 maart, Grote kruisbekken 13 dagen oud.  foto pk 9 maart, Grote kruisbekken 14 dagen oud.  foto pk

10 maart, Grote kruisbekken 15 dagen oud.  foto pk 11 maart, Grote kruisbekken 16 dagen oud.  foto pk

12 maart, Grote kruisbekken 17 dagen oud.  foto pk 14 maart, Grote kruisbekken 19 dagen oud.  foto pk

15 maart, Grote kruisbekken 20 dagen oud.  foto pk 28 maart, Grote kruisbek 33 dagen oud.  foto pk

 

VOLG DE GROEI VAN DE WITBANDKRUISBEK:

koppel witbandkruisbekken op het nest   pk volledig legsel van witband kruisbekken  pk

witband kruisbekken 1 dagen oud  pk witband kruisbekken 5 dagen oud  pk

witband kruisbekken 6 dagen oud  pk witband kruisbekken 7 dagen oud  pk

witband kruisbekken 8 dagen oud  pk witband kruisbekken 8 dagen oud  pk

witband kruisbekken 9 dagen oud  pk witband kruisbekken 10 dagen oud  pk

witband kruisbekken 11 dagen oud  pk witband kruisbekken 13 dagen oud  pk

witband kruisbekken 17 dagen oud  pk witband kruisbekken 17 dagen oud  pk

witband kruisbekken 17 dagen oud. Kweekkoppel met nieuw nest.

 

 

 

VOLG DE GROEI VAN DE HIMALAYAKRUISBEK:

koppel himalaya kruisbekken.   pk himalaya kruisbek 1 dag oud  pk

himalaya kruisbekken 2 dagen oud  pk himalaya kruisbekken 3 dagen oud  pk

himalaya kruisbekken 7 dagen oud  pk himalaya kruisbekken 10 dagen oud  pk

himalaya kruisbekken 11 dagen oud  pk himalaya kruisbekken 13 dagen oud  pk

himalaya kruisbekken 14 dagen oud  pk himalaya kruisbek pop voert haar 3 jongen   pk

himalaya kruisbekken 17 dagen oud  pk himalaya kruisbekken 18 dagen oud  pk

himalaya kruisbek 21 dagen oud    pk himalaya kruisbekken 42 dagen oud

HIMALAYA-KRUISBEKKEN BEHOEVEN DROGE, ZUIVERE LUCHT

De Himalaya-kruisbek (Loxia curvirostra himalayensis) bewoont in het Himalayagebied hoogten tussen de 3.000 en 5.000m. Begin 1994 bekwam ik van een handelaar twee paar Himalayakruisbekken die zich in een betrekkelijk goede conditie bevonden. Een jong mannetje had nog jeugdgevederte op de borst en bevond zich in de eerste jeugdrui. Het andere en ook een wijfje schenen mij een jaartje ouder (veerkleur en hoorndelen), het tweede wijfje was duidelijk oud (verhoornde poten en langere snavel).
 
Huisvesting
De vogels werden geplaatst in grote kweekbakken van 80cm hoog, 60cm breed en 2.20m lang. Zij werden bekleed met conifeertakken. Hierbij werden vooral takken van spar, den, Douglas-den, lariks en ceder gebruikt. Deze werden aan de wanden bevestigd. Er werd voor gezorgd dat de vogels van de takken uit vrij door heel de kweekbak konden vliegen. De Himalaya-kruisbekken waren niet schuw. Zij klauterden tussen de takken en knaagden eraan. Er werden ook knoppen en vruchten van den, spar en lariks vestrekt evenals schors en hars. De appels van deze bomen werden in de lengte gevierendeeld. Hierdoor kunnen de vogels veel gemakkelijker aan de zaden en aan de wormpjes (insektenlarven) die er zich in bevinden. De stukken werden van de bodem meegenomen naar de zitstokken waar zij, geklemd tussen de poten, volledig werden leeggegeten. Het aanbieden van de twijgen en appels bevredigt hierbij de klauter- en knaagdrang. Hierdoor kregen de houten delen van de kweekbakken niet te lijden. Het schil- en knaaggedrag was bij mijn Himalaya-kruisbekken veel minder dan bij de inheemse kruisbekken. Als bodembedekking gebruikte ik dennenaalden.
 
Voeding
De zaadmengeling bestond hoofdzakelijk uit naaldboomzaden: 60% Aleppozaden, 10% lariks, 10% hennep, 10% witte perilla en 10% gestreepte zonnebloemzaden. Ook worden lijsterbessen gegeven die het liefst vers werden gegeten. Vuurdoornbessen werden genomen in gedroogde toestand. Zij knaagden ook heel graag aan pompoenkernen. Mineraalgrit stond zonder beperking ter beschikking in aparte schalen. Drinken werd via badhuisjes verstrekt en naargelang de vervuiling verschoond, alleszins zeker dagelijks. De gewennings-bakken dienden eveneens als kweekbak daarom werden regelmatig nieuwe conifeertakken geplaatst en de oude weggenomen. Van bij het begin had ik voor mezelf de gedwongen paarbinding voorgenomen. Moesten de koppels evenwel niet overeenkomen dan pas zou ik ze uit elkaar halen en wisselen. Dit was echter niet nodig ze pasten wonderwel bij elkaar en voerden elkaar bij pozen (echter niet overdreven). Stukken den- , spar- en lariksappeltjes werden rijkelijk aangeboden om de vogels te laten blijken dat er voedsel in overvloed aanwezig was (stimuleert de paardrang).
 
Kweekvoorbereidingen
Kruisbekken kunnen het ganse jaar door broeden. Hun broedgedrag is afgestemd op het voedselaanbod. Temperatuur en licht zijn eerder een secundaire factor. Hierdoor onderscheidt de kruisbek zich van andere vinken.
De temperatuur in mijn kweekruimten bedroeg 17°C bij een luchtvochtigheid die schommelde tussen de 50 en 60%, de belichtingsduur bedroeg 12 uur. Als verlichting koos ik voor de buislampen Lumilux 11 van Osram die qua lichtsterkte en kleur overeenkomen met True-Litebuizen maar minder kosten. Als nestgelegenheid werden talrijke takken met veel vertakkingen opgehangen evenals houten nestbodems en ijzeren nestmandjes. Deze werden met takjes in plastic, van den en spar, omgeven. In de nestgelegen-heden werden tevens sisalmatjes aangebracht. Als nestmateriaal kregen mijn vogels mos, dunne twijgjes, cocos, scharpie, sisal en grasstengels (verzameld in september/oktober na bloeitijd).
Eind 1994 werden beide mannetjes onrustig. Zij zongen heel heftig hun metaal-klinkend lied. De poppen kwetterden ook meer als voorheen. Toch gebeurde er niets, de popjes waren niet in broedstemming. Ook in 1995 en 1996 wees niets erop dat er enige broedsheid bij de vogels vast te stellen was ook niet nadat de koppels gewisseld werden.
 
Het verschil ligt bij de huisvesting
Ik was al gelukkig omdat ik de Himalaya-kruisbekken reeds zo lang in topconditie had kunnen houden. Al mijn kennissen en vrienden die zich ook zulke vogels hadden aangeschaft hadden grote verliezen gekend. Na enige tijd waren de vogels bij hen uit conditie en stierf de ene na de andere. Het voer dat zij kregen had nochtans dezelfde samenstelling als het mijne. Zij kregen evenzeer dennen- en sparrenappels. Hun kooien werden eveneens met verse twijgen behangen. Het grote verschil zat hem erin dat mijn vogels gehuisvest waren in een droge kelder met een relatief geringe luchtvochtigheid, daar waar zij buitenvolières gebruikten. Wanneer het buiten mooi en droog weer was zaten hun vogels in conditie, bij enige weersverslechtering: nat en koud, werden ze lusteloos en zag men ze zo achteruitgaan. Dit fenomeen had ik reeds vroeger opgemerkt bij mijn siberische distelvinken en met deze ervaring in mijn achterhoofd bracht ik mijn kruisbekken onder in de droge kelder.
Het verspreidingsgebied van deze vogels, in het Himalayagebergte, ligt op een hoogte van 3.000- tot 5.000 m waar de luchtsamenstelling heel anders is dan in onze lage, vochtige streken. Door de omschakeling naar een andere klimaatszone met daarbij dan nog de verandering van voedsel komen deze vogels in zulkdanige stresstoestand dat ze er uiteindelijk het bijltje bij neerleggen.
 
Broedbegin
In het voorjaar 1997 begon een wijfje met nestbouw. Ik had deze vogel dus drie jaar zonder enig resultaat in mijn bezit. Hij was dus minstens vier jaar oud. Voor het bouwen van haar nest verkoos zij een tralienestje. Sisal en cocos werden voor de nestbouw gebruikt. Het werd een zeer mooi gevlochten kommetje met dikke fijn in elkaar gevlochten wanden. In deze periode voederden de vogels elkaar geregeld. Het legsel bestond uit drie bevruchte eieren die vijftien dagen bebroed werden. Er kwamen ook drie jongen uit met zeer weinig dons. Eierschalen werden niet gevonden.
 
Kweekverloop
Het wijfje beschutte haar jongen evenzeer als voordien haar eieren. Gedurende de broedperiode werden geen nestkontroles uitgevoerd om het broedverloop door nieuwsgierigheid niet te storen. Ook na het uitkomen der jongen werd de pop nooit door mij van het nest gedwongen. Nestkontrole werd slechts sporadisch uitgevoerd wanneer de pop het nest verliet om de mestballetjes van haar jongen weg te dragen. Nadien nam het wijfje steeds een weing voedsel en water tot zich. Het wijfje verliet dan ook zeer zelden het nest. Het mannetje zorgde voor voedsel, voor haar en voor de jongen. Wellicht komt deze nestvastheid door de koude temperaturen die heersen in het oorspronkelijk woongebied waar de jongen anders zouden kunnen doodvriezen. Hier blijkt hoe
belangrijk het is dat het mannetje de pop op het nest komt voeren, waarbij de pop dit voedsel dan ook doorgeeft aan haar jongen. Moest dit niet gebeuren dan zouden de jongen verhongeren. Daarom is het zeker noodzakelijk over een koppel te beschikken dat zeer goed overeenkomt. Dit moet ook bij de inheemse kruisbek en de grote kruisbek het geval zijn. Beide hebben dezelfde broedgewoonten.
Ofschoon het in mijn kooien 17°C was bleven mijn Himalaya's deze aangeboren eigenschap handhaven.
De vogels kregen op dat moment veertien uur licht of anders gezegd de donkere periode (rust) waarbij de vogels geen voedsel kregen bedroeg tien uur.
Het mannetje at vooral aleppozaden en hennep en ook de zaden uit de gevierendeelde dennen- en sparrenappels. Daarbij werden de vrijgekomen gele maden die zich in de appels bevonden met grote voorkeur opgenomen. Het opgroeien der jonge kruisbekken verloopt zeer snel ("koude geboortestreek"), vergeleken bij andere cardueliden. Zij moeten geringd worden wanneer ze vijf dagen oud zijn (3,0mm). Na de achtste dag verlaat het wijfje de jongen op het nest om zelf ook voedsel aan te halen. Van dan af voedert ook het mannetje de jongen rechtstreeks. Eens twaalf dagen oud hebben de vogels een volledig vederkleed. De zeventiende dag verlieten zij het nest. Zij waren weinig schuw en hielden zich op in de nabijheid van het nest dat zij nog een tweetal dagen bezochten. De oudervogels waren in deze periode bijzonder zenuwachtig wanneer de kweker de kweekruimte betrad.
 
Tweede broed
Een week na het uitvliegen der jongen begon het wijfje aan een tweede nest. De jongen werden verder door het mannetje gevoerd.
Na het leggen van het tweede ei begon het wijfje vast te broeden. Bij dit tweede broedsel werd een houten nestgelegenheid verkozen. Het broedverloop kende eenzelfde gunstig gevolg als het eerste. Drie jongen werden zelfstandig.
 
Besluit
Aan de ouderdom van drie weken beginnen de snavelpunten zich te krommen. De richting naar waar deze punten zich kruisen, het zij rechts of links, heeft geen enkele wetmatige oorsprong het berust gewoon op een toevalligheid. In totaal heeft het koppeltje twee nesten gegeven van drie jongen. In totaal zes jonge Himalaya's waarvan er twee niet door de rui kwamen. Tijdens de rui werd eenzelfde frekwentie van aangeboden voedsel aangehouden in eenzelfde samen-stelling. Na de rui werd er afgebouwd om zoals in de natuur voor volgend kweekseizoen het geliefkoosde voedselaanbod in stijgende lijn aan te bieden om de kweekdrift aan te wakkeren. Het tweede koppel deed ook nu weer niets.
Om goede kweekresultaten te bekomen heeft men een goed harmoniserend koppel nodig. Het in broedconditie brengen van Himalaya-kruisbekken is alleszins niet eenvoudig. Maar eens zo ver verloopt de kweek ook zonder erge moeilijkheden.
Ik wil er de liefhebbers wel op wijzen dat ik al mijn Himalaya-kruisbekken heb doorgegeven aan een Belgische liefhebber.    

                      
Door: Michaël Freitag.  vertaling: Hugo Verbesselt.

 

De kweek met de kruisbek samenlevend met andere soorten.
Marc Bays

Gepubliceerd in “De Europese vogelwereld” van de KEV 16e jaargang nr2 juni 2001. Geplaatst met toestemming van de KEV.

Kruisbekken drinken veel en baden graagVoor het 2e opeenvolgende jaar heb ik de kweek met de kruisbek aangevangen in een open volière tezamen met andere soorten. Het vorige kweekseizoen begon heel slecht, met als oorzaak de slecht uitgebalanceerde voeding. Dit resulteerde in de dood van de twee popjes kruisbekken die ik op dat ogenblik in bezit had. In het vooruitzicht van het kweekseizoen 2001, schafte ik mij twee nieuwe kruisbekpopjes aan om mijn koppels te vervolledigen. De voeding is nu beter in evenwicht gebracht door de vermindering van zonnepitten, die in te grote hoeveelheden in mijn mengeling zaten, en vermoedelijk de oorzaak waren van het verlies van de kruisbekpopjes. 

Zie hier de mengeling die mij tot nu toe uitzonderlijke goede resultaten gaf:


10 maten kanariemengeling
2 maten pirella grijs
2 maten pirella bruin
2 maten aleppozaden
2 maten larikszaden
2 maten gezondheidszaad
1 maat zonnepitten
1 maat kempzaad

Iedere dag geef ik aan mijn kruisbekken een hand vol dennenkegels (spar den lariks enz.) in twee geknipt met behulp van de snoeischaar. Zij krijgen ook iedere dag universeelvoer, waar maar weinig van wordt opgenomen. Insecten worden bij toeval genomen, wanneer ze in de volière komen, maar vooral wormpjes in de verstrekte kegels worden graag opgenomen. Medicatie bestaat alleen uit een kuur met ESB3 30% een 4tal maal per jaar samen met een vitaminecomplex.
De volière meet 5x3 meter. De hoogte is 2,5 meter op het hoogste punt en 2 meter op het laagste punt. De dakbedekking bestaat uit doorzichtige plastiekplaten, daar de volières zich in de schaduw bevindt gedurende de warmste uren van de dag. De zuidoost zijde is beschermd met een versterkt plastiekzeil, dat wel klappert met de wind, maar mijn vogels zijn dit gewoon. Dit is niet ideaal maar het is een voorlopige oplossing. De noordwest zijde is beschermd door een andere volière.
In de kweekvolière (15m2) zijn gehuisvest: 2 koppels kruisbekken, 3 koppels groenlandse barmsijzen, 3 koppels putters en een koppel goudvinken. De kruisbekken hebben de winter doorgebracht in deze volière, in tegenstelling tot de andere vogels, die half maart, wanneer de kruisbekken al aan het kweekseizoen waren begonnen, in de volière werden gebracht , wat geen enkel probleem opleverde, zowel voor de kruisbekken als voor de andere vogels.
Eind december werd de volière bekleed met conifeertakken, dit tot genoegen van de bewoners, die zich te goed deden aan de zaadjes van de coniferen. Tijdens de kweek werden de takken regelmatig vernieuwd, om de volière proper te houden. In deze natuurgetrouwe omgeving vormde zich al snel een koppel. Tijdens de dagelijkse verzorging van de vogels, stelde ik vast dat een man één van de popjes voerde. Ik kon het koppel identificeren aan de hand van de verschillende kleurringen.

De nestbouw begon op 14 maart. Het nestje werd gebouwd zoals in de natuur, met takjes van de lariks en de spar, droog gras, dierlijk en plataardig haar. Het nest was goed verstopt in de top van een dennentak. Het eerste ei werd gelegd op 20 maart, gevolgd door twee andere. Het popje bleef haast voortdurend op het nest vanaf het eerste ei, daar de buitentemperatuur zeer laag was en de vochtigheid 100% tijdens deze natte lente. Na een week, gebruikmakend van het feit dat het vrouwtje het nest even had verlaten, controleerde ik de eieren welke allen bevrucht bleken.
Het mannetje voederde zijn vrouwtje voorbeeldig en zij verliet nog steeds zelden het nest, alleen voor zich te ontlasten en even te bewegen. Veertien dagen later kwamen de eieren uit met enige uren verschil. Zoals ik had verspeld deed het tweede koppel geen enkele poging tot nestbouw, daar bij de kruisbekken, net als bij andere soorten, wanneer er meerdere koppels in een beperkte ruimte samenleven, er steeds een koppel dominant is. Daarom besliste ik dit koppel uit de volière te nemen om het dominante koppel optimale kansen te geven. Het rantsoen kegels werd flink opgedreven. Zij kregen nu ook apart aleppo zaden, zonnepitten en geweekt kempzaad en dit twee maal per dag.
De jongen werden ongelofelijk goed gevoerd. In het begin door de man, die het voeder naar het wijfje bracht, en na een week door beide ouders.
Op de ouderdom van 6 dagen heb ik de jongen geringd met ringen omplakt met vleeskleurige kleefpleister. Het was toen al heel moeilijk om de jongen nog te ringen. Op de ouderdom van 16 dagen, de jongen helemaal gepluimd, verlieten ze het nest, van nabij gevolgd door de ouders, die voortdurend hun roep lieten horen gelijkend op die van een merel: “tük, tük, tük”. Nog niet in staat te vliegen, verplaatsten de jongen zich naar de westkant van de volière, maar aangemoedigd door de ouders en zich verplaatsend via de takken bevonden zich na twee dagen reeds op de bovenste takken, zo´n twee meter hoog.Vandaag, 7 mei 2001, zijn de jonge kruisbekken meer dan een maand oud en beginnen ze zelfstandig te eten, terwijl de ouders zijn begonnen aan een tweede broedsel. Ik weet niet hoeveel eieren er zijn, daar mevrouw het vertikt haar nest te verlaten.
Wat de andere soorten betreft, op deze zelfde datum hebben twee koppels barmsijzen eieren( een met 5 eieren en eentje net begonnen met de leg) Ook het koppel goudvinken heeft een nest met 3 eieren en een koppel putters is begonnen met de nestbouw.
Ik wil laten opmerken dat dit artikel alleen de bedoeling heeft het experiment met verschillende koppels en soorten in één volière in een min of meer natuurlijk milieu voor te stellen, zonder mij een pionier te willen noemen in deze materie.

Kweek 2004. Peter Knops

Inmiddels is het broedseizoen voor de cultuurvogels al weer afgelopen. Net als elk jaar heb ik ook deze keer tussen kerst en nieuwjaar de kruisbekken gekoppeld en in de kweekboxen geplaatst. Tot die tijd heb ik alle kruisbekken mannen en poppen van mekaar gescheiden gehouden. Wel heb ik de kruisbekken de hele maand december voorzien van dennenzaden en sparrenkegels. De sparrenkegels bied ik de vogels aan in stukken geknipt met een lengte van 3 tot 4 centimeter. Uiteraard krijgen de vogels ook sepia en vogelmineralen. Hiernaast krijgen de kruisbekken ook droog eivoer (nemen ze bijna niet op) en hangt er een brokje natuurzout (salzkammergut) in de vlucht. Regelmatig heb ik geconstateerd dat ze hieraan lekken, het is een soort liksteen. In de natuur is al vaak geconstateerd dat kruisbekken strooizout langs de kant van de weg tot zich nemen.
Waarschijnlijk heeft dit te maken met de grote hoeveelheden hars die de vogels binnen krijgen in hun natuurlijke leefomgeving en heeft het zout hier een positieve invloed op. Dat de kruisbekken in de natuur ook kalkhoudende klei tot zich nemen zag ik in een Duitse documentaire op video. Waarschijnlijk heeft ook dit te maken met het harsrijke dieet van de kruisbek.

witband kruisbek pop bezig met nestbouw. Foto: pk
In januari startte ik de kweek met 5 koppels himalaya kruisbekken, 4 koppels witband kruisbekken en 1 koppel grote kruisbekken. Bij de himalaya kruisbekken, waarvan bekend is dat het vroege broeders zijn constateerde ik meteen al activiteiten die erop wijzen dat ze broedrijp waren. Voortdurend zongen de mannetjes, ook de popjes zingen niet onverdienstelijk, terwijl ook het aangeboden nestmateriaal door de vogels niet ongemoeid werd gelaten. Het oud kweekkoppel van 2003 waarmee ik 6 nakomelingen kweekte, ging als eerste over tot nestbouw. De 2e week van januari heb ik de daglengte door middel van kunstlicht verlengd door de verlichting s'morgens om 6 uur aan te laten gaan. S'avonds laat ik de vogels op stok gaan volgens het ritme van de natuur. De ervaring leert dat als men de dag s'avonds verlengt de vogels zich niks aantrekken van de langere dag en op het gewone tijdstip van zonsondergang gaan slapen. Verlengt men de ochtend kunstmatig met tl-licht dan kan men constateren dat de vogels meteen actief worden zodra het kunstlicht aangaat.

Ik voerde dit jaar veel sparrekegels aan mijn kruisbekken wat resulteerde in het overgaan tot broeden van al mijn koppels. Helaas zijn er wel enkele kweekvogels gestorven, hetgeen het aantal succesbroedsels heeft beperkt. Met name de dood van een witband-mannetje, terwijl er 3 van zijn jongen nét waren uitgevlogen was jammer. Ik zag ook de pop niet meer in de kweekbox. Het bleek dat deze inmiddels een nieuw nest gemaakt te hebben in het dennegroen en vast zat te broeden op 4 eieren. De jongen waren nog niet zelfstandig genoeg en waren een paar dagen later dood.
Mijn hoop was gevestigd op het nieuwe legsel, maar helaas de gekipte jongen werden niet voldoende gevoed en waren na enkele dagen ook dood. Ook de man van mijn 2e koppel witbandkruisbekken vond ik op gegeven moment s'morgens dood op de grond. Ook deze vogel was op onverklaarbare wijze heengegaan, terwijl zijn pop op een nest eieren zat, allen bevrucht! Deze eitjes zijn uitgekomen en de jongen zijn goed gevoed, 3 weken later uitgevlogen. Het is dus wel mogelijk een pop alleen de jongen groot te laten brengen, al gaat het vaak mis. Ook bij Marcel Kleijnen bracht een witbandpop alleen 3 jongen groot. Dat kruisbekken het hele jaar tot broeden over kunnen gaan bleek maar weer eens toen ik alle uitgeruide vogels te samen in de grote vlucht, 6x2x2 meter had gezet. Een van de oude poppen bouwde een nest en 4 weken later vlogen 3 jongen uit. Inmiddels zit deze pop al weer te broeden en is een andere overjarige pop eveneens weer tot broeden overgegaan (15-09-2004). Komend jaar ben ik van plan in een grote vlucht 4 koppels himalaya-kruisbekken te samen het broedseizoen in te laten gaan, ik houd u op de hoogte van de resultaten.

Zadenmengeling voor kruisbekken

Kruisbekkenmengeling van Phil Bamps uit Zonhoven.
Phil kweekte het kweek-seizoen 2001 69 jonge kruisbekken. Sinds ik met Phil in contact ben gekomen, geef ik dezelfde zadenmengeling. Ondanks het hoge vetgehalte, is de mengeling afgemeten om de kruisbekken in goede conditie te houden. Kruisbekken hebben vette zaden nodig. In het broedseizoen geef ik deze zadenmengeling in de zelfde hoeveelheid door, maar verstrek tevens aleppo (pijnboompitten, naar men zegt afkomstig uit China, maar ik hoorde ook al Rusland en Turkeye noemen). In het broedseizoen de zaden in ruime hoeveelheid verstrekken, in het rustseizoen kariger.
Het in overvloed beschikken over met name dennenzaad geeft de vogels een impuls om tot broeden over te gaan! Het verstrekken van dennenappels en sparrenkegels is natuurlijk nooit verkeerd. Het houd de vogels bezig, kruisbekken zijn trouwens bijna altijd actief, opzoek naar iets nieuws of iets om aan te knagen. Liever niet aan zitstokken, dus men verstrekke dennenappels! Het zaad, en de hars die in de kegels zitten zijn een voor de vogels aangename bijkomstigheid.

Phil's Zadenmengeling:

6 kg Kemp (Hennep)
1 kg Zonnebloempitten
1 kg Kardy (Saffloer)
1 kg Mariadistel
1 kg Haver (gepeld)
1 kg Boekweit
1 kg Pirella (wit of bruin)

Voor de jonge kruisbek en voor het najaar: Spaarzaam zonnebloempitten gepeld gebroken kardy

Tijdens het broedseizoen aleppozaden (groot dennenzaad)

Staat altijd in geringe mate ter beschikking: peenwortel

Rood kleuren van kruisbekken.

Rode witbandkruisbek foto Rainer DiewaldZoals bekend verliest de kruisbek in gevangenschap zijn rode kleur. De kruisbek komt in de natuur voor in allerlei kleurschakeringen, rood, geel oranje in een combinatie van deze kleuren. De kruisbek wordt rood als hij ten tijde van de rui, dennekegels verobert als deze nog groen zijn. Kruisbekken kunnen in elk jaargetijde ruien, vandaar dat vogels die tijdens de rui niet kunnen beschikken over de sappige dennenkegels, geel uit de rui tevoorschijn komen. In Duitsland en Oostenrijk is men in het algemeen geen voorstander van het "opvoeren" van de kruisbek, het zou zelfs de levensverwachting aanzienlijk verkleinen. Hier vind men dan ook maar weinig rode kruisbekken. Mijn mening is hier, dat de rood opgevoerde mannetjes mooier zijn dan de gele en dat alléén overmaat schadelijk is. In de handel zijn produkten verkrijgbaar om de vogels rood op te voeren. Alleen de mannetjes voer ik op met "intensief rood" van BOGENA (let op de houdbaarheids-datum!). Hiervoor neem ik een 10-grams verpakking die ik oplos in een pannetje met 250ml water van ± 70° Celcius. Intensief rood lost alleen goed op in heet water. Goed roeren met een garde. Dit dieproodgekleurd water koel ik versneld af door in de gootsteen het pannetje in koud water te plaatsen. Vervolgens giet ik het in een vorm (ijsblokzakjes van toppits) om er ijsblokjes van te maken in de diepvries. Op die manier maak ik 18 ijsblokjes die 0,55 gram intensief rood bevatten. Elke 2 weken geef op 2 of 3 achtereenvolgende dagen de mannetjes intensief rood. Hiervoor voeg ik bij elk ijsblokje 150ml lauw water. Dit is een door mij beproefde manier die goed werkt, ook voor barmsijsjes (opletten voor roodkleuring van de snavels) etc. Volgens de verpakking van intensief rood moet men 10 gram mengen met 1 liter water. Volgens bovenstaande methode mengt men 10 gram met ± 3 liter water. Naar mijn mening is de bovenstaande hoeveelheid voldoende om de mannetjesvogels, redelijk mooi rood te krijgen, zonder dat het schadelijk is voor de gezondheid van de vogels.

Scottish Crossbills.

Scottish Crossbills are to be found in the Highlands of Scotland, in particular Deeside, Strathspey, Moray, Ross-shire and the Great Glen, but due to the difficulty of identification the exact areas remain difficult to establish. The wild population is recorded at between 1500 and 2000 individuals, but this is noted as 'best guess'. This difficulty has resulted in global conservation concern for their future
I live in Moray and Scottish Crossbills inhabit the Forests less than four miles from my home. Forests of Pine, Larch and Spruce are a major resource locally and provide excellent Crossbill habitat.

The Scottish Crossbill, Loxia Scotica, is intermediate in size ( approximately 16.5cm long ) between the Common and Parrot Crossbill. Males have red/orange plumage with dark brown wings and tail. Females are yellow/green with wings and tail as cock birds. Young birds are typical of all crossbills in being heavily streaked in nest feather. Their beaks are adapted to deal with the cones of native Scots Pine. Other characteristics are flattish crown, thick neck and overall "top heavy" look.
In the wild, nesting takes place in Scots Pine trees, approximately 15metres up. Nests are made of a pine twig base completed using lichen, moss, grasses and bark. Clutch sizes average four eggs and are normally laid from February to April, but young birds can be seen well into August. In the wild predation from Red Squirrels, Pine Martens and Crows can be a problem and accounts for many losses. They share their habitat with Crested Tit, Lesser Redpoll, Siskin, Chaffinch and Capercaillie.
As there is a year round population close to my home, I am able to study them in the wild as well as in confinement.

My first recollection of information about Crossbills being bred in captivity was an article in Cage and Aviary Birds in 1968 detailing the successful breeding by A. E. Cross (13/6/68 ). I have since then found reference to a breeding in 1910-11, by Allen Silver, ( Avicultural Magazine, pp 109-117. ) Bird fanciers in the past thought them difficult to maintain and breed but this is certainly not the case.

The first Crossbill I kept was a Common, in the early 1970's and I first kept Scottish Crossbills in 1978 but did not establish my present stock until the early 1980's. My first breeding success was 1980 and four lovely youngsters resulted. Since then I have bred in excess of two hundred, only failing to breed them in 1987, due to incompatible pairings, older breeding birds and losses .
My strain is unique, in as much as original stock birds were taken from the wild, under Scottish Office Licence, in my area and have been line bred since with very few additional birds introduced.

In 1981 very few Crossbills were kept in captivity in Great Britain and with the introduction of the Wildlife and Countryside Act, they could no longer be exhibited competitively. Their popularity unfortunately waned.


In Great Britain the Crossbill is on Schedule 4 of the Wildlife and Countryside Act 1981, which requires all birds kept to be registered with the Department of the Environment, Transport and the Regions, (DETR), Birds Registration Section, Tollgate House, Houlton Street, Bristol. At present registration costs £6.00 per bird and is renewable at a cost of £1, every three years. All birds must be close ringed with a size J ring, obtainable only from the DETR. Each bird has a document with details of parentage, age, registered keeper, etc. and this transfers with new ownership. Licences are now issued to allow sale/exchange and exhibiting within Great Britain.

By 1987 the British Bird Council decided to encourage the few people who had Crossbills to co-ordinate their efforts and a Breeding Programme was set up. At that time about sixty pairs were recorded by members. Between 1987 and 1992 at least 400 birds were reared by members of the group. The aim was to establish the Crossbill as a free breeding bird in captivity and this was achieved. The project resulted in numbers steadily increasing and recent relaxations have again allowed the exhibition of Crossbills and their hybrids at Shows in Great Britain. This was the second aim and the success is well documented.

Annual measurements are being recorded for future reference and include beak sizes. My records are based on 65 individuals to date with this years youngsters still to be measured, ( depth average 11.8 mm, length average 20.1 mm, range 11.0 - 12.7 mm and 18.8 - 21.5 mm. )
Clutches of eggs average 4, with maximum of 5 from my stock to date. The average size, from measurements of 50 eggs is 16.47 mm x 22.18 mm ( smallest 15.8 mm x 21.0 mm, largest 16.9 mm x 22.6 mm. ) Incubation period 14 days irrespective of time of year. Maximum number of clutches laid 5, but normally only 2.
Age in captivity averages 4 years but this is from a small sample only. Oldest recorded breeding age to date 10 years for cock and 8 years for a hen, with my Scottish birds.

Accommodation for my stock presently consists of three large aviaries, 2.4 x 1.2 x 1.8 m high and ten small inside aviaries 1.2 x 0.9 x 1.8 m high. Timber frames covered in wire and metal framed aviaries are used, as Crossbills can be destructive and can destroy softwood framing in a relatively short time. Light is an essential part of successful Crossbill husbandry and inside flights have artificial, as well as natural lighting. Outside flights are covered in translucent fibre glass sheets, allowing in maximum daylight. Perches are fixed side to side, allowing fresh natural branches to be laid across them, which are easily removed when new branches are installed. Feeding trays, which are covered, are used to house feeding utensils, which hold seed and water. Cones and wildfood are placed on top of these tray roofs, giving a two level feeding system, which works very well.

Water must always be on offer and should be replaced twice daily if possible. Crossbills are avid bathers and also drink a lot of water.
To colour feed, I use Carophyll Red in the drinking water during the moulting period. This is only given to Cock birds. I prefer the Hens to remain in their natural colour, although I have seen many "red hens".
A proprietary Calcium additive is given in the drinking water on two days per week and Garlic Juice added to drinking water on one day per week. No other additives are given.
Worming is now done twice per year, again using a readily available proprietary mix.
I prepare a mix consisting of Black Pigeon Minerals, Mineralised Grit, grated Cuttlefish Bone, Charcoal and dried and crushed Domestic Fowl eggshells, and this is on offer at all times.
Generally my Crossbills remain in good health and illness is rare. Veterinary assistance is sought if symptoms persist but sadly Crossbills are often too ill to save before they show any signs of being unwell.

My basic dry seed mix consists of equal parts Sunflower, Safflower, Hemp, Small Pine Nuts, Pine Seed, Niger, Groats and Dried Rowan Berries. Peanuts in Shell are given occasionally and the dry mix is soaked for 12-24 hours during the breeding season, and thoroughly washed before feeding.
No eggfood is offered as I have found this to be of little interest to my birds.
Mealworms are taken by some pairs but only when young are in the nest.
Wild plants collected and offered include chickweed, dandelion, milk thistle, knapweed and seeding grasses. Berries collected and offered in season include Rowan, Hawthorn, Bramble, Dog Rose, Elderberry and Cotoneaster. Try any wild food other finches eat.

While visiting the Orkney Islands in September 1990 I observed many Common Crossbills feeding on Marsh Thistle, Spear Thistle, Nettle, Dock and Black Knapweed seeds. As Orkney has few trees the flocks were feeding on ground plants. Many nest feather birds were also present, having flown across from Northern Europe in their search for food.

Branches are always replaced weekly and are collected from Pine, Larch, Spruce and Fruit Trees
Cones from Scots Pine, Spruce and Larch are collected and fed all year round.

Nesting receptacles used include 150mm diameter wire kitchen sieves, wire baskets and wire shelves with natural branches attached. Originally my nest sites were positioned at the back and front of each flight but I now only have them at the front, which allows easy access for ringing and general inspection of progress. The birds are in no way upset by this and it prevents entering the flight, which would undoubtedly cause more stress.

Nesting materials consist of birch twigs, dry grasses, hessian, moss, lichen, dog hair and small feathers. This is given to my birds in wire racks fixed externally to the front of my flights. The birds pull the nesting material through the wires when nest building and it is soon obvious when a pair are seriously nesting, when the material begins to disappear.

Breeding commences late January / early February and continues through to June.


Close ringing is normally not a problem, but due to the thickness of the bird's leg and the short length, vaseline is used to assist the ring going on. This takes a little practice but is soon undertaken efficiently and with little problem. I try to ring chicks at between 4 and 6 days of age. Very occasionally a Hen will eject chicks and only once did a Hen actually bite off the ring and sadly the leg of the chick in the process. Happily this is very rare. Crossbills in most cases keep their nests relatively clean in the first week to ten days of having chicks in the nest. Chicks are fed by the Hen for the first 4/5 days and the Cock feeds her on the nest. Thereafter the Cock assists with feeding the brood and continues once the chicks are fledged and the hen is sitting on her second clutch of eggs. I always breed with one pair only per aviary but have heard of cases where a trio was successful. Fighting has been observed between pairs in adjoining flights and because of this I prefer one pair only per flight, with sides of the aviaries covered, preventing distraction.

Chicks begin to feather at about 7-8 days of age and fledge between 18-25 days, depending on growth, time of year and whether or not they are disturbed in any way. Should they leave early they may not be able to fly properly and I always site a low branch or two in my flights to deal with this. They will happily perch at a low level and their parents continue to feed them until strong enough to fly. In cold weather young chicks can appear to be abandoned and become lifeless, but this is soon put right by the Hen on her return to the nest. After a short time of brooding, the Hen continues to feed them, with no ill effects. Chicks are independent at six to eight weeks, depending on time of year. Care must be taken to ensure they are feeding correctly before they are removed from their parents. I often house them in an adjacent flight for the first few weeks as their parents can still feed them through the wire of their aviary.

Youngsters are easily sexed in nest feather and this was first noted by Peter Castell in an article in Cage and Aviary Birds in 1983 and has since been put to good use. Cocks are obvious with their yellow throat collars.
Beaks are crossed by 6 weeks of age, and growth thereafter can alter sizes from year to year as my study is now showing.

Hand rearing is a relatively easy task if time is available. I first hand reared a deserted chick in 1985 and used a mix of sunflower kernels, baby food and egg yoke, ground down and formed into a paste. This worked well and other chicks were successfully reared this way in later years. I have also partly reared chicks under canaries but invariably have had to complete the rearing process by hand as the chicks grew too large for their foster mother. They also take longer to fledge and become self supporting and canaries invariably want to nest again and stop feeding them. Although these hand reared birds were imprinted slightly they did go on to breed successfully and also remained very tame and confiding.

Crossbills can make good exhibition birds but can destroy wooden showcages, as used in Great Britain, quite easily. Training prior to exhibiting will assist but some may never be happy just to sit in a showcage without "testing the construction". Cones placed in the showcage can help prevent this, but is not the guaranteed solution.


Hybridising with Crossbills is now well documented and many crosses have been seen. I have reference material and photographs of two major events of the 1960's, in birdkeeping terms, the first a Crossbill x Greenfinch, bred by W McAllister, the second a Crossbill x Canary, bred by J Dalrymple. Both were major show winners of that time. I successfully reared 3 Greenfinch x Crossbill Hybrids in 1999, a cock going on to win Best Hybrid at the National Exhibition of Cage and Aviary Birds at Telford, the same year. In January 2000, I was very pleased when one of my young Cock Crossbills won Best in Show for me at the Scottish British Bird and Mule Club, All British Show. This may, hopefully, encourage others to keep these delightful birds.

July 21 2000 ( Amendments made 19 June 2001 )

Ron Phillips

Barmsijzen samen met kruisbekken tijdens kweek?
Peter Knops

barmsijsje in box 9.  foto:  pkIn een kweekverslag van Jürgen Franz (ICC-2003) las ik dat hij kruisbekken samen gehouden heeft met barmsijzen, tijdens het broedseizoen en deze vogelsoorten heel goed samengaan. Hij constateerde zelfs dat het koppel kruisbekken naast zijn eigen jongen ook de nakomelingen van de barmsijzen in hun nest meevoerde! Mooi experiment, vandaar dat ik afgelopen jaar ook 2 koppels barmsijzen heb aangeschaft (ruil tegen een kweekkoppel gewone kruisbekken). Helaas kan ik Jürgen's kweekmethode niet herhalen en bleek dat de himalaya mannetjes erg agressief waren ten opzichte van de barmsijsjes.
Vooral een van de barmsijspopjes moest het telkens ontgelden. Nesten werden gemaakt, eitjes gelegd, deze waren zelfs bevrucht. Deze kwamen echter niet uit, aangezien de barmsijspoppen niet vast tot broeden kwam. Een voordeel was wel dat de himalaya mannetjes steeds in de weer waren hun territorium te verdedigen tegen de ongewenste gasten in de kweekbox en hun poppen zo ongestoord tot prima broedresultaten kwamen. Ieder nadeel heb z'n voordeel zou Cruijff zeggen. Volgend jaar zal ik zelfs meer barmsijzen inzetten, 3 koppels en het experiment te samen met grote kruisbekken in de kweekboxen voortzetten.

Der Fichtenkreuzschnabel
Michael Gandler

Der stark überkreuzter Schnabel, der dem Kreuzschnabel seinen Namen gab, ermöglicht dieserm Vogel die Erschließung seiner Hauptnahrungsquelle, den Zapfen. Er macht ihn außerdem zu einer unverwechselbaren Spezies innerhalb der Gruppe der Cardueliden. Durch dieses eigenartig geformte Werkzeug gelangt er das ganze Jahr über an die begehrten Samen der verschiedensten Koniferen, vor allem der Fichte, Lärche, Föhre und der Latschenkiefer
Foto: Michael Gandler

Es gibt wohl kaum einen Vogelliebhaber, der diesen auffälligen und weit verbreiteten Vogel nicht kennt. Eine detailliertere Allgemeinbeschreibung will ich mir aus diesem Grunde an dieser Stelle ersparen. Vielmehr möchte ich auf verschiedene Details, Eigenheiten und Unterscheidungsmerkmale hinweisen, die zumindest in den mir bekannten Veröffentlichungen bisher nur unvollständig, oder gar nicht erwähnt wurden. Sehr vieles was über den Kreuzschnabel geschrieben wurde und wird, entspricht einfach nicht den Tatsachen. So manche falsche Behauptung die mangels besserem Wissen vor Jahrzehnten veröffentlicht wurde, findet sich in den aktuellen Büchern und Fachberichten wieder. So werden sich einige Leser mit meinen, teilweise von der Standardliteratur abweichenden Ausführungen, nicht so rasch anfreunden können. Aber das hält wenigstens die Diskussion in Gange. Eine Unterteilung in verschiedene Unterarten ist bei einer Vogelart, die kein angestammtes Brutgebiet hat und Wanderungen von mehreren tausend Kilometern unternimmt sicherlich problematisch. Es gibt innerhalb der Kreuzschnabelschwärme so viele unterschiedlichen Typen, was Größe, Statur, Schnabelform, Lockruf und Gesang betrifft, daß es vielleicht naheliegend erscheinen mag, daraus das Vorhandensein einer ganzen Reihe von Unterarten abzulesen. Nicht immer halten diese Einteilungen dann einer genaueren Überprüfung stand. Schon bei der Zusammensetzung der Brutpaare in der Natur treten oftmals schon alleine vom Aussehen her große Unterschiede zwischen Männchen und Weibchen zu Tage.Von Unterarten kann man vielleicht am ehesten bei den geographisch abgetrennten Populationen wie auf Schottland, Korsika, den Balearen, der Krim, Amerika, Nordafrika usw. sprechen.Link: Vogelliebhaber und Vogelzuchtverein Brixlegg und Umgebung.

Da Kreuzschnäbel das ganze Jahr über ausreichend Nahrung für ihre Nachkommen finden, kann man praktisch zu jeder Jahreszeit brütende Vögel antreffen. Von den heimischen Vogelarten ist neben dem Kreuzschnabel nur der Tannenhäher in der Lage, auch bei Schnee und Eis erfolgreich Junge großzuziehen. Maßgebend für das Gelingen der Aufzucht ist in erster Linie das Nahrungsangebot. Im Falle des Kreuzschnabels sind dies vor allem die Samen von Fichte, Lärche -und in den Alpenregionen der Latschenkiefer.

Portraits

Männchen: Die immer wieder aufgestellte Behauptung, daß die Hähne erst im zweiten Lebensjahr ihre Rotfärbung erlangen, ist falsch. Es gibt in der Natur genauso gelbe Altvögel, wie auch Jungvögel, die direkt vom Nestlingsgefieder auf intensives Rot umfiedern. Ausschlaggebend für die Gefiederfärbung ist ausschließlich der Reifegrad der Nahrung kurz vor- und während der Mauser. Für die Ausbildung der roten Gefiederfarbe ist das natürliche Carotin verantwortlich, das in den noch grünen Zapfen vorkommt. Alle Jung- und Altvögel, die bis ca. Mai/Juni umfiedern, erhalten noch ein gelbes Federkleid. Später sieht man dann im Freien die verschiedensten Färbungen, die von gelb, bis gelb-rot gescheckt, ziegelrot, karminrot, braungelb, und schwärzlich-grün reichen und das in jeder Intensität. (Auch hierbei ist die Verlockung wiederum groß, auf verschiedene Unterarten zu schließen.)

Weibchen: Im Gegensatz zu den Männchen weisen die Weibchen ein farblich weniger attraktives, grünlich-graues Federkleid auf. Eine Unterscheidung von Hahn und Henne ist für einen Fachmann kein Problem. Wohl gibt es Weibchen, die sehr intensiv gefärbt sein können. Manchmal kann man in der Natur sogar Weibchen beobachten, die vollkommen rötlich durchgefärbt sind. Auch in Züchterhand trifft man solche Exemplare an, allerdings hervorgerufen, durch die Verfütterung von künstlichem Rotfutter. Eine Unterscheidung der Geschlechter ist dann immer noch möglich, da die sogenannte Fettfarbe (beim Kreuzschnabel also gelb oder rot) beim Weibchen niemals über die Brust hinauf bis an die Schnabelunterseite reicht. Stets ist die Federpartie beim Weibchen ca. 1,5 cm unterhalb des Schnabels grau gefärbt, während beim Hahn die Färbung fast immer bis an den unteren Schnabelrand reicht.

Junge Kreuzschnäbel: sind bräunlich-grau, der Länge nach gestreift, wobei es auch hierbei vom Farbton her starke Schwankungen gibt. Meist weisen diese auch eine hellbraune, ca 1 mm beite Säumung an den Hand- Arm und Flügeldeckfedern auf. Diese Besonderheit bleibt bis zur ersten Gesamtmauser erhalten und verschwindet dann vollständig. Das Aufweisen dieser helleren Säumung ist also ein 100%iges Indiz für die Jugend des Vogels. Die markante Überkreuzung der Schnabelspitzen setzt erst ab einem Alter von ca. 4 Wochen ein, wobei es nach meinen Beobachtungen rein zufällig ist, ob sich der obere Schnabelteil nach links, oder rechts über den Unterschnabel kreuzt. Auf das Zusammenfinden der Brutpaare hat diese Kreuzung keinerlei Einfluß.

Manfred Giebing

 

Scottish Crossbill Year Planner ( starting in July when young birds are moulting. )

July

Young birds of the year are now into the moult, the earliest having been born late February. Old birds may still be breeding but many start to moult in early July, effectively finishing the breeding season. I normally do not colour feed my young birds preferring to see them in natural colour the first year. Adult cocks however are given Carophyll Red in their drinking water which brings out their red coloration to perfection. I do not colour feed my hens, preferring their natural green colour. I inspect my birds legs at this time when transferring stock between flights and if necessary treat any 'thickening symptoms', especially in older birds, with Benzyl Benzoate. Feeding in July includes fresh cones and branches from larch and pine, also wild grasses and weed seeding heads of all descriptions, which are now available in abundance.

August

The annual moult is now well underway and care should be taken to watch for any signs of illness in young birds. "Going Light" is not a major problem and can be treated as with other finches. Berries become available at the end of this month and Rowan berries in particular are enjoyed by my birds. Many other types can be offered and add variety to my birds diet, while also assisting plumage colour.

September

A quiet month with plenty of wild seeding grasses and heads available. Also a good month for collecting pine cones for use during the shorter days of winter when daylight hours are not available for trips into the countryside. Pine cones are stored, once dry, in plastic buckets for use as required. This is a good month to collect nesting material and lay it aside for the breeding season. Dried grasses, birch twigs, mosses and lichens are collected. These are stored, when dry, in cardboard boxes.

October

Young birds should now be fully moulted and can be assessed for future breeding requirements. The type and colour plus beak shape is important and will decide next years pairings. Young birds are now housed in single sex groups until I decide on pairings to prevent bonding between individuals. Old established pairs are not parted and remain together for the following breeding season. Should a pair be split it is often difficult to form a new pair bond and care has to be taken to avoid potential fighting between the new partners, if the old partner can still be seen or heard.

November

During this month only selected pairs remain and it is a relatively quiet month in the Crossbill year. The birds are building up their strength after the moult in readiness for the next breeding season.

December

Final pairings are now made in readiness for the forthcoming breeding season.
Legs are inspected again and treated as necessary and toe nails cut as required. Pairs may already be in their breeding flights, although no nesting sites are yet provided

January

Pairs must be in there breeding aviaries this month. In the early part of the month pine branches are collected and the flights are made ready with nest baskets, shelves and new branches from Scots Pine, which is readily available in Scotland.
Pine and Larch cones and soaked seed are now given and assist the pairs in reaching top condition for breeding. As usual a plentiful supply of fresh grit, mineral mix, crushed eggshells, charcoal and cuttlefish bone is on offer.

February

Hemp is added to the diet of my birds this month, fed separately to allow the amount being eaten, to be monitored. This seed is also soaked for 24 hours and then thoroughly washed, for use when chicks hatch. The first eggs are usually laid at the beginning of this month and the first youngsters of the year are in the nest by the end of the month.

March

All the efforts of the year are now hopefully being rewarded with chicks leaving the nest by mid to late, March. Hens usually go to nest again by the end of the month and continue in some cases until June. This is a busy time and regular feeding has to be maintained, as daylight hours are still short. Temperatures can also be below freezing, but chicks are quite capable of surviving low temperatures for short periods. Hens return and brood them until revived and able to be fed. This can be a difficult time for the bird keeper new to this specialised bird. Many are concerned to see the Hen off the nest and chicks looking as though they have been deserted. All however is usually well.
By the end of March buds appear on the bare Larch branches and these are collected and enjoyed by my birds. A South facing Larch plantation usually yields a good crop and they can be stored in water to keep them fresh, as with a bunch of flowers.


April

Larch branches are now in full leaf and provide a readily taken food source, especially the flowers. First round chicks can be left in large flights with their parents but I normally remove them to an adjacent aviary. They can take five to six weeks to become self-supporting and need to be carefully watched when first removed to ensure they are eating properly. They are best housed as groups of the same sex, if possible, as young cock birds are easily sexed by their yellow throat collars. This method of sexing young birds has proved very useful.

May

A very similar month to April, with the addition of wildfood in the form of chickweed, dandelion and milk thistle.

June

A third round of chicks may be in the nest but I normally stop breeding operations by the end of this month, assuming sufficient chicks have been reared. Most adults begin to moult by the end of June. Ceasing breeding in June allows them to build up stamina for this annual event. Crossbills however have been known to nest in every month of the year.

The end of another 12 months.

Ron Phillips

 

Haltung und Zucht von Kreuzschnäbeln. 
Jürgen Franz
.

Haltung und Zucht von Kreuzschnäbeln.

Nach einem Vortrag am 09. April 2000 anläßlich der VDW-Tagung des Landesverbandes Bayern in Bayreuth.

Obwohl ich seit 1973 Cardueliden gehalten und gezüchtet habe, hat es bis zum Beginn der 80er Jahre gedauert, bis ich mein erstes Paar Fichtenkreuzschnäbel mit nach Hause nehmen durfte. Die Fichtenkreuzschnäbel waren zu der Zeit bei den älteren Züchtern als Käfigvögel aus der Nachkriegszeit bekannt. Damals wurden die Kreuzschnäbel fast ausschließlich mit purer Hanfsaat gefüttert. Es gab keine Fichtenzweige, keine Zapfen. Die Vögel galten bei manchen als in Gefangenschaft nicht zu züchten. Zum Glück hat auch hier in der Praxis der Vogelzüchter einiges zu Gunsten der artgerechten Vogelhaltung verändert. Die Fichtenkreuzschnäbel werden allein in der Bundesrepublik zu Hunderten - vielleicht sogar Tausenden - gezüchtet. Die Vögel werden zumeist artgerecht in Freivolieren gehalten und regelmäßig mit Koniferenzweigen und - zapfen versorgt. Um auch die Futterhersteller haben reagiert und bieten spezielle Kreuzschnabelmischungen an.
Seit meinem ersten Paar Fichtenkreuzschnäbel haben mich diese Papageien Europas nicht mehr losgelassen. In Laufe der Zeit kamen noch Himalaja-, Binden- und Kiefernkreuzschnäbel hinzu. Alle 4 Arten bzw. Unterarten habe ich schon mit z.T. sehr großem Erfolg gezüchtet.
Da es unsere Hauptaufgabe als Vogelzüchter ist, diese Arten in Gefangenschaft zu erhalten, möchte ich noch einige Feinheiten meiner langjährigen Kreuzschnabelerfahrung weitergeben, denn obwohl die Haltungsbedingungen besser geworden sind, bergen die neuen Möglichkeiten auch die Gefahr, neue Fehler zu machen.
Ich will und kann damit kein Patentrezept zur Haltung und Zucht weitergeben, aber ich kann helfen, Fehler zu vermeiden, was dem Züchter und vor allem seinen Vögeln zu Gute kommt.
Auf eine Beschreibung der Arten will ich verzichten, da es darüber gute Bücher gibt. Ich will über die Haltung und Zucht berichten, im Einzelnen über die Volieren, die Fütterung und den Zuchtverlauf. Dies sind sie wichtigsten Punkte, damit die Vögel sich wohlfühlen. Und Wohlfühlen ( "wellness") ist die Grundvoraussetzung für eine erfolgreiche Haltung und Zucht.

Foto Rinus Mulder: Jonge kruisbekkenVolieren
Meines Erachtens sind Kreuzschnäbel nicht zur Käfighaltung geeignet. Selbst die kleinen Himalayakreuzschnäbel entfalten sich erst richtig in einer Voliere, die wiederum gar nicht groß sein muß. Eine Grundfläche von 1 x 1 Meter, besser 1 x 2 Meter, reicht bei einer Höhe von 1,80 bis 2 Metern völlig. Ich habe aber festgestellt, daß sich Vögel, wenn sie die Möglichkeit dazu haben, gerne nach oben zurückziehen. Deshalb ist auch eine Volierenhöhe von 2,50 bis 3,00 Metern nicht schlecht, zumal die Vögel darin auch ruhiger sind.
Eine weitere Grundvoraussetzung für Kreuzschnäbel sind stabile Volieren. Kreuzschnäbel, auch die kleinen Arten und Unterarten, haben einen immensen Nagetrieb. Dieser läßt sich zwar durch die ständige Gabe frische Zweige etwas auf diese umlenken, aber der Besitzer von Holzvolieren wird nicht lange Freude an seinen Kreuzschnäbeln haben. Ich habe es schon oft erlebt, daß mich Züchter angerufen haben, die ganz verzweifelt waren. Die Geschichte war immer dieselbe: vor ein paar Wochen zum ersten Mal Kreuzschnäbel gekauft - von den Vögel begeistert gewesen - jetzt sieht die Voliere erbärmlich aus - alles erreichbare Holz ist angenagt - Frage: Weißt Du jemand, der die Vögel kurzfristig übernehmen kann. Die Volieren sollten deshalb möglichst aus Metall sein, oder wenigstens das erreichbare Holz mit Blech verschlagen sein. Eine Möglichkeit ist es auch, die vorhandenen Holzteile noch einmal mit Holzbrettern oder -leisten zu verkleiden, an denen die Kreuzschnäbel dann nagen können. Dies Verkleidung muß aber von Zeit zu Zeit erneuert werden. Wer diese Voraussetzungen nicht bieten kann, sollte gut überlegen, ob er seine Volieren den Kreuzschnäbel "opfern" will.
Eine für die Kreuzschnäbel lebenswichtige Grundvoraussetzung ist eine trockene Unterkunft. Für alle Kreuzschnabelarten - im besonderen aber für Himalaja- und Bindenkreuzschnäbel - ist eine geringe Luftfeuchtigkeit wichtig für das Wohlbefinden. Dies gilt noch mehr in der Mauserzeit und da ist es in unseren Gefilden leider besonders häufig nebelig und feucht. Ich habe daher Volieren mit Betonboden (es geht auch Holz), damit von unten keine Feuchtigkeit hochsteigen kann. Die Volieren sind an drei Seiten mit Holz oder Plexiglas geschlossen. Ab Oktober oder November - je nach Wetterlage - wird beim ersten Einsetzen einer feuchten Wetterlage auch die Vorderseite mit Plastikplanen verschlossen und bis zum Frühjahr verschlossen gehalten. Dadurch ist in den Volieren immer eine geringe Luftfeuchtigkeit gewährt, die auch anderen Hochgebirgsvögel - wie Stieglitzen, Pyrrhula-Arten und Rotstirngirlitzen - zu Gute kommt. Der gleiche Effekt läßt sich natürlich auch in einem Innenraum erreichen (z.Bsp. eine alten Scheune), der aber nicht geheizt werden sollte. Kreuzschnäbel sind ja absolut winterhart, brüten auch im Winter und lieben die Kälte mehr als die Hitze.
Kreuzschnäbel sind wie alle Vögel Lichttiere. Leider komme ich oft zu Züchtern, die ihre Tiere viel zu dunkel halten und sich dann wundern, wenn sie Tiere nicht brüten. Der Bruttrieb der Vögel wird sehr über das Licht gesteuert. Bei Kreuzschnäbeln kommt zwar noch das Nahrungsangebot hinzu, aber auch sie lieben die Helligkeit. Man muß bedenken, wo die Kreuzschnäbel wohnen: in den Kronen der Bäume. Da ist es zwar oft kalt, aber immer sehr hell. Auch ich habe meine Volieren früher zu dunkel gebaut. Ein Holzdach läßt einfach nicht genügend Licht durch. Abhilfe können Plexiglasbahnen auf den Dach bringen. Oder man baut sein Volierendach gleich aus Doppelstegplatten. Die Vögel werden es durch gute Zuchterfolg danken. An sehr heißen Sommertagen kann man die Platten teilweise abdecken, damit sich die Voliere nicht zu sehr aufheizt.
Ich habe inzwischen bei vielen Züchtern gesehen, daß die Volierenzwischenwände zu den Nachbarvolieren aus Holz oder undurchsichtigem Material bestehen. Dies hat den Vorteil, daß ein Sichtkontakt zu den Vögeln dort nicht möglich ist und die Tiere sich sicherer und ungestörter fühlen. Dies ist um so mehr nötig, wenn nahe verwandte Arten nebeneinander gehalten werden, da sich die Tiere sonst oft bekämpfen (besonders die Hähne) und vom Brutgeschäft abgelenkt werden.
Wie bereits vorher erwähnt, halte ich auch einen festen Volierenboden aus Beton oder Holz für vorteilhaft. Man kann die Einstreu (bei mir meistens je zur Hälfte Sand und Fichtennadeln) gut auswechseln und er bleibt trocken. Naturboden speichert Feuchtigkeit lange und kann nur mühevoll von Keimen gereinigt werden. In Herbst oder Frühjahr spritze ich meine Volieren übrigens mit ungelöschtem Kalk ( damit haben die Landwirte in früherer Zeit ihre Ställe desinfiziert ) oder Essig heraus. Beides ist, nachdem es getrocknet ist, für die Vögel völlig unschädlich und erfüllt seinen Zweck. Es muß nicht immer die chemische Keule sein.
Mein Futtergang befindet sich bei meinen neueren Volieren vor der offenen Seite der Voliere. Dadurch erspare ich mir den doppelten Draht nach außen als Schutz vor Raubzeug und schaffe eine Pufferzone zwischen den Vögeln in den Volieren und dem Raubzeug draußen. Ich habe damit hervorragende Erfahrungen gemacht. Es kommt bei mir sehr selten vor, daß die Vögel sich die Köpfe wegen Raubzeug aufstoßen.
An den Rückseiten und teilweise auf an den Seitenwänden der Volieren habe ich Querleisten in einem Abstand von ca. 5 cm von der Wand angebracht, in die ich Fichten- und Kiefernzweige stecke. Bei vielen Vögeln werden darin die Nester gebaut. Die Kreuzschnäbel bauen aber selten frei. Sie bevorzugen Nistklötze. Wenn sie aber frei bauen - wie in diesem Jahr ein Fichtenkreuzschnabelweibchen - sollte man während der Brut- und Nestlingszeit darauf achten, ob das Nest stabil bleibt. Vier bis fünf junge Kreuzschnäbel können ganz schön schwer werden und so manches freistehendes Nest ist da schon abgestürzt.
Als bevorzugte Nester verwende ich außer Kaisernestern ( Rundumschutz ) auch solche Marke Eigenbau. Diese bestehen aus einer Baumscheibe mit 10 bis 15 cm Durchmesser (je nach Vogelart), um die einen ca. 15 - 20 cm hohen Streifen Maschendraht wickle und an der Baumscheibe festnagele. Dann kommt an eine Seite noch ein Brett zum Aufhängen und die Nisthilfe ist fertig. Diese kann man dann mit Streu verkleiden oder auch nur mit Heu auslegen. Darin bauen alle meine Vögel ( Cardueliden, Weichfresser, Kardinäle ) sehr gerne. Der Vorteil ist, daß die Jungen lange im Nest bleiben und die Gefahr der Unterkühlung auf dem Volierenboden dadurch sehr gemindert ist.
Die Volierenausstattung wird noch ergänzt durch ein Futterbrett, ein Gitter in der Größe von 20 x 20 cm mit 5 cm Rand für das Grünfutter bzw. die Zapfen und einen Kanister für das Wasser. In diesen 5-Liter-Wasserkanister (gibt es z.B. beim Winzer) wird in einer Seite ein Loch geschnitten und das Wasser darin gereicht. Dadurch kann der Kot der Vögel nicht ins Wasser fallen und das Wasser bleibt sehr sauber.

Fütterung
Bei der Fütterung werden in der Vogelhaltung und -zucht wohl die meisten Fehler gemacht. Das fängt an bei den vielen angebotenen Medikamenten, die zur Übermedikation verleiten, und geht bis zu den angebotenen Spezialfuttersorten, die im Überfluß gefüttert oft zu fetten, zuchtuntauglichen und kranken Vögeln führen.
Das Wichtigste in der Kreuzschnabelzucht ist ein gutes, sauberes und staubfreies Körnerfutter als Grundnahrung. Dies wird von vielen Firmen - wie z.B. Futtermittel Blattner (e-mail)- in hervorragender Qualität angeboten. Ich gebe dieses Futter außerhalb der Aufzuchtzeit jedoch nur zwei- bis dreimal die Woche, da die Vögel sonst einfach verfetten und dann natürlich keinerlei Bruttrieb aufkommt. Daneben steht meinen Vögeln aber immer ausreichend Waldvogelfuttermischung, Zapfen und Fichtenzweige zur Verfügung, so daß die Vögel keinen Hunger leiden müssen. Aber es ist für die Tiere natürlich einfacher sich nur von großen fetten Fichten- und Kiefernsamen zu ernähren. Das ist den Kreuzschnäbeln aber ebenso unzuträglich als ob wir uns nur von Schokolade ernähren würden.
Ich bin der Überzeugung, daß in diesen Jahren mehr Vögel durch ein Überangebot an Futter zu Tode kommen als verhungern oder an Mangelerscheinungen sterben. Es ist für den Züchter sehr wichtig in Maßen und abwechslungsreich zu füttern. Ich habe schon sehr viele Vögel mit "dicker Leber" gesehen und früher auch selber gehabt. Seit ich meine Tiere magerer füttere sind derartige Ausfälle so gut wie nicht mehr vorgekommen.
Vom Kreuzschnabelfutter werden teilweise grobe und feinere Mischungen angeboten. Ich habe durch das Angebot beider Sorten festgestellt, daß auch bei den kleinen Arten - wie Himalaja- und Bindenkreuzschnäbel - die grobe Mischung bevorzugt wird, so daß ich nun nur nicht diese verfüttere.
Beim Waldvogelfutter, daß ich meinen Kreuzschnäbel anbiete, achte ich neben der allgemeinen Futterqualität v.a. darauf, daß nicht zu viele fetthaltige Sämereien wie Negersaat (nicht mehr als 8 Prozent), Hanf, Kardi und Sonnenblumen enthalten sind.
Man kann auch versuchen ein paar getrocknete Ebereschenbeeren unter die Futtermischung zu geben. Nach einer Gewöhnungszeit werden diese meist gern genommen und nach Papageienart mit einem Fuß festgehalten und mit dem Schnabel bearbeitet.
Ebereschenbeeren gebe ich meinen Kreuzschnäbeln auch in frischer Form vom Baum. Auch da dauert es oft eine Woche, bis die Vögel Geschmack daran gefunden haben, aber danach sind sie ganz verrückt nach den Beeren.
Meine Kreuzschnäbel erhalten kein <+!>Eifutter oder Lebendfutter<-!>. Eifutter ist für mich sowieso kein naturnahes Futter und ich gebe es höchstens, um darin Medikamente oder Beta Carotin zur Rotfärbung zu reichen. Ich hab früher öfter Cardueliden mit Eifutter groß gezogen, was auch sehr gut gelang, aber spätestens in der Mauserzeit wächst die Leber der Vögel und die Vögel gehen ein. Ich habe dadurch in einem Jahr einmal 25 junge Hänflinge verloren und seitdem bin ich mit Eifutter sehr vorsichtig. Auch Lebendfutter gebe ich keines und soweit ich Kreuzschnäbel in größeren Gehegen mit Vögel zusammenhalte, die Lebendfutter erhalten, habe ich auch nie die Aufnahme von solchem beobachten können. Obwohl viele Züchter behaupten, daß ihre Kreuzschnäbel Mehlwürmer fressen, ist das meines Erachtens nur auf einen Mangel an geeigneten Grünfutter zurückzuführen. Außerdem hatte der Kreuzschnabel bei einer regelmäßigen Versorgung mit frischen Zweigen und Moos genügend Gelegenheit darin nach Getier zu suchen.
Als Keimfutter wird gelegentlich und je nach Akzeptanz des jeweiligen Zuchtpaares gekeimte Sonnenblumenkerne und Papageienkeimfutter gegeben. Die Vögel nehmen dies jedoch oft nur zögerlich und während der Aufzuchtphase manchmal erst ab der zweiten Lebenswoche der Jungvögel. Trotzdem sehe ich darin eine gute Ergänzung des Futterplanes, da Keimfutter wertvolle Vitamine und Spurenelemente enthält.
Das übliche, naturgemäße und beste Grünfutter für Kreuzschnäbel sind jede Art von Zweigen (v.a. von Koniferen) und deren <+!>Zapfen<-!>. Dabei kann man ruhig alles ausprobieren, was das Angebot hergibt. In manchen Gärten stehen exotische Koniferen, die durchaus auch als Futter geeignet sind. Von den einheimischen Arten werden alle genommen bis auf die Zweige der Douglasie. Sie wird nicht sehr benagt. An Zapfen können nicht nur Koniferenzapfen als Nahrung erhalten, sondern z.B. auch Birken- und Erlenzapfen.
Größere Zapfenarten werden von mir mit einer großen Astschere, die ich in einem Schraubstock gefestigte, halbiert oder geviertelt. Das macht es den Kreuzschnäbeln einfach, v. a. den Jungvögeln und macht die Ausbeute ergiebiger. Die Zweige und Zapfen werden bei mir außerhalb der Brutzeit nur jeweils einmal wöchentlich gegeben, wenn die Vögel brüten sollen zumindest täglich im Wechsel. Denn die Kreuzschnäbel richten ihre Brutzeit auch nach dem Nahrungsangebot aus und brüten durchaus auch mitten in Winter, denn dies ist die Reifezeit der meisten Koniferenzapfen. Dem Harz, das die Vögel aufnehmen, kommt scheinbar auch eine wichtige Bedeutung zu. Durch den hohen Harzgehalt in den Körpern der Vögel, verwesen diese in der freien Natur kaum. Darum wurden die Kreuzschnäbel früher als mystische Wesen angesehen.
Als weiteres Grünfutter biete ich Moos. Es ist für alle Vögel - nicht nur Kreuzschnäbel - ein hervorragendes Futter. Es enthält grüne Anteile, Insekten und deren Larven, an den Wurzeln hängt meist noch Erde, die für die Mineralstoffversorgung wichtig ist und darüber hinaus wird es von vielen Vögel auch sehr gerne als Nistmaterial verwendet. Außerdem steht es nahezu das ganze Jahr über zur Verfügung.
Übliches Grünfutter - wie Apfel, Chicoree, Gurke, Löwenzahn, Sauerampfer usw. gebe ich den Kreuzschnäbel auch täglich in geringen Mengen. Dies wird jedoch bei einem ausreichendem Angebot an Zapfen und Zweigen kaum beachten. Einzig die Löwenzahnköpfe finden bei einzelnen Individuen großen Anklang, wenn sie erst mal die Samen und die richtige Fresstechnik gefunden haben.
Zur Mineralstoffversorgung stehen meinen Vögeln Grit, ein Vitaminkalk, Lehmsteine und Walderde zur freien Verfügung.
Medikamente werden gerade bei den Kreuzschnäbel so gut wie überhaupt nicht gegeben. Einmal eingewöhnt sind Kreuzschnäbel sehr hart Vögel, die sehr alt werden können. Wie ich die Vögel eingewöhne, habe ich ja bereits in einem anderen Artikel in dieser Zeitschrift veröffentlicht. Die vor Jahren noch zweimal jährliche Prophylaxebehandlung mit ESB3 zur Kokzidienvorbeugung habe ich seit einigen Jahren eingestellt. Die Kreuzschnäbel haben danach oft einen lustlosen, fast kranken Eindruck gemacht.
Als Vitaminzugabe gebe ich während der Nestbauphase lediglich ein Vitamin D Präparat aus der Apotheke (Vigantoletten) ins Wasser. Vitamin D ist neben Sonnenlicht eine Voraussetzung zur Kalkbildung und ich beuge somit einer Legenot vor. Weitere Vitamingaben sind bei ausreichender Versorgung mit frischen Zweigen unnötig.
Nun komme ich noch zu einem besonders heiklen Thema bei den Kreuzschnäbel: den Füßen und deren Grabmilbenbefall. Kreuzschnäbel sind sehr empfänglich für Grabmilben. Man kann aber etwas dagegen tun. Meines Erachtens ist das Harz, daß die Vögel mit den Zweigen in die Volieren bekommen ein gutes Pflegemittel für die Füße. Tiere, denen regelmäßig frische Zweige zur Verfügung stehen, haben kaum Probleme mit Grabmilben. Außerdem schmiere ich die Füße der Vögel ca. alle 8 Wochen mit einem Schwefel- Melkfett-Gemisch ein. Dabei wird Melkfett erhitzt und beim Abkühlen unter Rühren ca. 10 % Schwefel hinzugegeben. Das Melkfett pflegt die Füße. Der Schwefel trocknet sie, damit sie nicht zu weich werden und bluten. Diese Salbe ist - seitdem das Mittel Odylen nicht mehr hergestellt wird - das Beste was ich probiert habe. Erfahren davon habe ich übrigens auch von einem ICC-Kollegen auf den Schau in Offenburg. Es lohnt sich also die ICC-Schauen zu besuchen.

Zuchtverlauf
Der wichtigste Erfolgsfaktor bei der Zucht von Kreuzschnäbeln ist die Harmonie der Paare. Besonders empfindlich sind dabei die Binden- und Himalayakreuzschnäbel. Sie brüten nie, wenn ihnen der Partner nicht paßt. Ein gute harmonierendes Paar ist schon die halbe Miete zu gesunden Jungvögel. Ich lasse deshalb meine Vögel sich ihre Partner selbst suchen. Die für die Zucht im nächsten Jahr vorgesehenen Tiere werden dazu bereits im Herbst in einer gemeinsamen Voliere gehalten. Es zeichnet sich meist schon im Winter ab, wer zusammengehört. Die Paare füttern sich. Diese Paare werden dann herausgefangen und in die Zuchtvolieren gelassen. Um die Vögel beim Herausfangen wiederzuerkennen, ist eine Markierung wichtig. Diese ist bei Kreuzschnäbel oft nicht durch Farbringe möglich, da die Tiere die Ringe abmachen oder zusammendrücken. Deshalb mache ich bei Kreuzschnäbel kleine Tupfen mit Tippex auf Stirn, Schnabel oder Schwanz. So kann ich die Tiere genau identifizieren. Sollte sich einzelne Tiere im Winter nicht gefunden haben, so geschieht dies dann spätestens kurz vor Brutbeginn. Da gehe ich jedoch so vor, das ich das neu gefundene Pärchen in der jeweiligen Voliere belasse, damit es sich mit an eine neue Umgebung gewöhnen muß und die übrigen Tiere herausfange. Ein guter Trick zum Finden der Paare ist es auch zu sehen, welche Tiere am Abend zum Schlafen zusammensitzen. Für denjenigen, der nicht viel Zeit zum Beobachten hat, möchte ich noch einen besonderen Trick verraten: die Tiere im Winter zusammenfliegen lassen. Sie verpaaren sich dann. Kurz vor der Brutzeit werden dann die Weibchen in die Zuchtvolieren eingesetzt und die Hähne im Futtergang für ein oder zwei Tage fliegen gelassen. Die Hähne steuern dann immer die Volieren ihrer Auserkorenen an und können dazugesetzt werden.
Obwohl die Kreuzschnäbel zu jeder Jahreszeit brüten, wenn man ihnen genügend Zapfen zur Verfügung stellt, sollte man aus zwei Gründen nicht vor Februar oder März mit der Zucht beginnen:
1. Die Hähne werden später triebig als die Weibchen. Bruten im Januar werden zwar oft getätigt, aber die Eier sind regelmäßig unbefruchtet. Diese vergebliche Brut schwächt nur die Weibchen und mindert den Bruterfolg, denn gerade die Kiefernkreuzschnäbel machen oft nur zwei Jahresbruten, auch wenn diese erfolglos sind.
2. Im Februar und März sind die Tage schon wieder länger, die Jungvögel werden länger gefüttert und gedeihen besser.
Je nachdem, wann ich mit der Zucht beginnen will, sollte man 2 bis 3 Wochen vorher mit der regelmäßigen Fütterung von Zapfen und Zweigen (siehe oben) beginnen. Es geht dann oft sehr schnell, daß die Weibchen Nester bauen und mit dem Legen beginnen. Manche Züchter schwören auch auf rotgefärbte Hähne (mit Beta Carotin oder Canthaxanthin) und behaupten, daß diese besser befruchten. Ich habe diese Erfahrung bisher nicht gemacht. Oft wird auch Hanf vor der Brutsaison separat gegeben, der die Hähne ebenfalls feuriger machen soll.
Über die Nester und das Nistmaterial habe ich ja schon gesprochen. Es ist aber wichtig, daß die Vögel ungestört bauen können. Während des Nestbaues sollte man nicht in die Nähe des Nestes kommen oder es sogar berühren. Besonders Kiefernkreuzschnäbel reagieren da sehr empfindlich und hören mit dem Nestbau auf. Wenn die Hennen dann fest sitzen, muß man sie zur Nestkontrolle oft von Nest heben und es macht ihnen gar nichts aus. Bei den Kiefernkreuzschnäbel muß man auch große Geduld mitbringen. Es kann geschehen, daß die Vögel sechs bis acht Wochen an einem oder mehreren Nestern bauen, bis die Henne legt.
Ich nehme keine Eier weg und lege sie dann gemeinsam unter und trotzdem schlüpfen die Jungen meistens innerhalb von zwei Tagen. Ich persönlich mache die erste Nestkontrolle, wenn ich denke, daß die Jungen beringt werden müssen. Das kann bei Kiefernkreuzschnäbel schon der vierte Tag sein. Es ist meist nicht nötig, die Ringe zu umkleben, da Kreuzschnäbel nicht zum Entfernen der Jungen nach der Beringung neigen. Nach dem Beringungsvorgang mache ich das Nest etwas weiter und dehne es etwas aus. Dies ist besonders nötig, wenn viele Kokosfasern verbaut sind und das Nest sehr fest ist. Da Kreuzschnäbel schnell wachsen, wird so genügend Platz für die Jungvögel geschaffen.
Die gesamte Aufzucht geht meist mit den oben angegebenen Futtermitteln problemlos von statten. Sollte beim Ausfliegen der Jungvögel sehr feuchtes Wetter sein und sich die Tiere noch sehr am Boden aufhalten, gebe ich für zwei bis drei Tage ESB3 ins Wasser, da sich die Jungtiere in diesem Stadium sehr gerne mit Kokzidien infizieren.
Ich habe lange Jahre die Jungen der ersten Bruten mit in der Voliere gelassen. Bei einem Paar Bindenkreuzschnäbel mußte ich 1996 jedoch die Erfahrung machen, daß die drei Jungen der ersten Brut noch so stark gebettelt haben, daß die vier Jungen der zweiten Brut vernachlässigt wurden. So habe ich zwei Junge der zweiten Brut verloren, die anderen beiden wurden - nach dem Entfernen der ersten Brut aus der Voliere - problemlos groß.
Ich hoffe, daß ich den Züchtern von Kreuzschnäbel den einen oder anderen Tipp geben konnte und daß ich vielleicht den einen oder anderen Züchter, der noch nie mit Kreuzschnäbel zu tun hatte, neugierig machen konnte.
Es hat lange gedauert, bis alle drei Arten in Gefangenschaft gehalten und gezüchtet wurden und es liegt an uns, daß sie nicht wieder verschwinden (was bei den Himalayakreuzschnäbel schon fast geschehen ist).
Für weitere Fragen stehe ich gerne zur Verfügung und verweise auch auf die Stammtische, in denen erfahrene Züchter zum Gedankenaustausch zur Verfügung stehen.
ltung und Zucht des Himalayakreuzschnabels

.

Haltung und Zucht des Himalayakreuzschnabels


Rainer Knoedleseder

Haltung
Der Himalayakreuzschnabel ist genau so problemlos in der Eingewöhnung und der Haltung wie der Fichtenkreuzschnabel und stellt auch in etwa die gleichen Anforderungen. Allerdings sollte darauf geachtet werden, daß das Grundfutter nicht zu Fett ist.
 Unterbringung
Der Himalayakreuzschnabel kann bereits in größeren Flugkäfigen ab etwa einen Meter untergebracht werden, wobei aber meiner Meinung nach die Haltung in einer Voliere vorzuziehen ist. Meine Himalayakreuzschnäbel sind außerhalb der Zuchtzeit zusammen mit 2,2 Bindenkreuzschnäbel, sowie einigen einzelnen Cardueliden, welche ich als Zuchtreserve halte, in einer Voliere mit den Maßen 4m x 2,5m x 2,2m untergebracht. Die Voliere ist von 3 Seiten geschlossen und ganzflächig überdacht. Ausgestattet ist die Voliere mit reichlich frischen Ästen von Fichte, Tanne, Lärche und Kiefer, welche regelmäßig erneuert werden. Die Äste eignen sich ganz hervorragend als zusätzliche und vor allem auch als gesunde Nahrungsquelle, wobei sie die Nadeln, die Rinde und das Harz sehr gerne verzehren. Die Äste dienen noch in gleicher Weise als Schlafplatz wie auch als Turngerüst an dem sie ihre Klätterkünste voll zur Geltung bringen können. Auch können die Kreuzschnäbel ihren mehr oder weniger starken Nage- und Schältrieb daran abreagieren. Sollten zu wenig frische und geeignete Zweige zur Verfügung stehen wird mit großer Sicherheit die Voliere darunter leiden, da dann jede Holzfaser, welche von einem Brett oder einem Balken absteht, bearbeitet wird und wobei man dann auch sehen kann welch ein kräftiges Werkzeug der Schnabel von so einem kleinen Vogel sein kann. Der Bodenbelag besteht aus einer ca. 10 cm dicken Fichtennadelstreu, welche ich etwa alle 2 Monate erneuere. Diese Fichtennadelstreu hat gegenüber normalen Vogelsand verschiedene Vorteile, wie z. B. das Miteinbringen von kleinen Kerbtieren, oder die Versorgung mit natürlichen Mineralstoffen.

 Ernährung
Außerhalb der Zuchtzeit bekommen meine Himalayakreuzschnäbel eine Futtermischung der Fa. Zoo- & Kleintierbedarf Windorfer . Die Mischung setzt sich wie folgt zusammen : ca.50 % Waldvogelfutter, 20 % Fichte fein, 10 % Wildsamen, 5 % Tauben - Diätfutter, 5 % Hanf und je 5 % Sonnenblumenkerne weiß und gestreift.
Die Zapfen von verschiedenen Nadelbäumen sollten auf keinen Fall fehlen. Sie können den Kreuzschnäbeln in jedem Reifestadium angeboten werden. Zur besseren Samenausbeute schneide ich die Zapfen ( außer die Zapfen der Lärche und der Kiefer ) zweimal der Länge nach durch. Weiter biete ich den Kreuzschnäbeln auch Zapfen an, welche noch ganz sind. Diese werden von mir mit einem Bohrer quer durchbohrt und dann zu mehreren an einem dünnen Basteldraht unter dem
Volierendach aufgehängt. Auf diese Weise finden auch die Zapfen, welche keine Samen mehr beinhalten auch noch gute Verwendung, denn die so hängenden und schaukelnden Zapfen werden sehr gerne zernagt und dienen den Kreuzschnäbeln obendrein noch als optimale Aussichts- und Ruhepunkte.
Ebereschenbeeren getrocknet und frisch, Feuerdorn, Sanddorn und Ligusterbeeren oder Äpfel werden ebenfalls gerne aufgenommen. Im Herbst werden anstatt der Zapfen dann frische noch weiche Maiskolben auf gleiche Art und Weise an einem Draht aufgehängt. Grüne Salatgurke wird den ganzen Sommer über angeboten und auch gerne angenommen. Aus frischen Gräsern machen sich meine Himalayakreuzschnäbel nicht allzuviel, dafür wird die Rinde von verschiedenen Gehölzen wie Haselnuß, Birke und besonders die der Weide abgeschält und verzehrt.Vogelgritt sollte stets zur freien Aufnahme zur Verfügung stehen.
Alle 4 Wochen wird eine 3-tägige Kur mit Vierrindentee gemacht, diese Teekur dient der Vorbeugung gegen Befall von Parasiten wie Würmern und Kokzidien. Wöchentlich einmal wird ein Multivitamin Präparat über das Trinkwasser verabreicht.
Da bei den Himalayakreuzschnäbeln der Badedrang sehr groß ist, sollte laufend frisches Badewasser zur Verfügung stehen.

 Zucht
Im September 1994 bekam ich von einem mir bekannten Kreuzschnabelzüchter
1,1 Himalayakreuzschnäbel welche wie er sagte gut harmonieren und im Vorjahr bereits ein Nest gebaut hatten und welche er aus Platzgründen abgeben müßte. Ich setzte das Paar erst einmal ( so wie alle meine Neuzugänge ) zur Beobachtung und bei evtl. Krankheit um meinen Bestand nicht zu gefährden in eine Flugbox . Die Himalayakreuzschnäbel machten einen ausgezeichneten Eindruck. Nach zwei Tagen hatte das 1,0 bereits seinen wohltönenden Gesang vorgetragen. Nach ca. 1 Woche setzte ich die Himalayakreuzschnäbel dann zu den anderen Kreuzschnäbeln in die Gartenvoliere um, in welcher sie sich auch sichtlich wohl fühlten.
Ende Oktober setzte ich dann alle meine Kreuzschnäbel paarweise in die einzelnen Zucht-volieren ein. Die Zuchtvolieren in welche ich meine Himalayakreuzschnäbel einsetzte, ist 2,5m lang, 1,5m breit und 2m hoch. Weiter ist die Voliere überdacht und von 3 Seiten geschlossen. Die Voliere war mit reichlich Koniferenzweigen und ebenfalls mit Tannenadelstreu als Bodenbelag ausgestattet. Des weiteren wurden einige Volierennester in verschiedenen Höhen angebracht. Auf den Boden stellte ich einen morschen Baumstumpf, welcher zu jeder Zeit ausgiebig benagt wurde.
Zu meiner Enttäuschung stellte sich dann nach einiger Zeit heraus, daß dieses Paar Himalayakreuzschnäbel nicht harmonierte. Da bei den Himalayakreuzschnäbeln anscheinend das gleiche Problem mit der Partnerfindung besteht, wie bei den anderen Kreuzschnabelarten sah ich die einzige Möglichkeit von dieser doch relativ selten gehaltenen Unterart des Fichten- kreuzschnabels Nachzucht zu erzielen darin, mir ein zweites Paar davon anzuschaffen. Da ich wußte , daß der Züchter von dem ich das erste Paar bezog noch ein zweites Paar hatte, suchte ich Ihm erneut auf. Nach dem ich ihm von meinem Problem erzählte, teilte er mir mit, daß sein Paar auch nicht so recht harmonierte und er überließ mir nach langem zureden dann dieses zweite Paar Himalayakreuzschnäbel. Wieder zu Hause angekommen setzte ich sie dann ebenfalls zur Beobachtung in eine Flugbox. Da auch dieses Paar keinen Eindruck auf Krankheit machte setzte ich es nach 5 Tagen ( mittlerweile war es schon Ende November ) zu dem ersten Paar in die Zuchtvoliere um. Zu meiner Freude konnte ich noch während ich in dieser doch eher kleinen Voliere stand sehen, wie sich sofort das 1,0 vom 1. Paar und das 0,1 vom zweiten Paar fütterten und sich anbalzten. Ich nahm darauf hin die anderen beiden Vögel heraus und setzte sie ebenfalls alleine in eine Voliere mit etwa gleicher Größe und Ausstattung ein.
Bei dem Paar, welches sichtlich gut harmonierte, lief die Balz sozusagen auf Hochtouren. Dieses machte sich zum einen durch den lauten und lang andauernden Gesang des 1,0 bemerkbar. Auch das 0,1 hat sehr häufig ihren Gesang, welcher nur leiser war und nicht so rein geklungen hat vorgetragen. Ab dem 10. Dezember wurde dann begonnen Nistmaterial rumzutragen und anscheinend nach dem richtigen Nistplatz zu suchen. Das Weibchen ließ sich von nun an regelrecht vom Männchen mit Futter versorgen. D.h. sobald das 1,0 in die Nähe des 0,1 kam, nahm dieses eine geduckte Haltung ein, fing an mit den Flügeln zu schlagen und ließ dann Jungvogelartige Bettellaute ertönen, worauf dann das Männchen sogleich mit der Futterübergabe begann. Das andere Paar wirkte dagegen eher träge. Sie haben sich zwar sporadisch gefüttert und das 1,0 hat auch fleißig gesungen, auch wurde gelegentlich mit Nistmaterial rumgezogen, wobei es aber dann auch blieb.Da sich an dem Verhalten dieses Paares während der ganzen Zuchtzeit nichts mehr änderte, werde ich in diesem Bericht nicht mehr näher darauf eingehen und nur noch von dem harmonierenden Paar berichten.
Am 18. 12. 1994 wurde dann, nach dem ein geeigneter Nistplatz gefunden wurde, mit dem Nestbau begonnen. Das Nest wurde freistehend in einem Kiefernzweig dicht unter dem Dach erstellt. Als Nistmaterial wurden für den Rohbau verschieden lange und unterschiedlich dicke, trockene Grashalme verwendet. Für den Nestausbau wurde Kokosfaser, Scharpie und Sisal genommen. Für die Auspolsterung fanden feine Tierhaare und Watte ihre erwendung.
Vom Anfang bis zur Fertigstellung des Nestes vergingen über 3 Wochen. In den letzten 5 Tagen vor der Eiablage wurde dem Nest absolut keine Bedeutung mehr geschenkt, so daß ich schon Zweifel an einer ernsten Zuchtabsicht hatte.
Am 15. 01. 1995 war es dann doch so weit, und das erste Ei lag im Nest und das Weibchen wurde nur noch gelegentlich in der Voliere gesehen. Von diesem Tag an wurde vom Männchen sehr laut und heftig geschimpft nach dem ich die Voliere betrat. Ab dem 2. Ei hat dann das 0,1 das Nest nur noch verlassen um sich zu entleeren. Jetzt konnte ich das Männchen sehr häufig dabei beobachten, wie es das Weibchen auf dem Nest fütterte. Bei einer Nestkontrolle die ich am 28.02.95 machte als das Weibchen um sich zu entleeren das Nest verließ, stellte ich fest, daß bereits ein Jungvogel geschlüpft war und noch 3 Eier im Nest lagen. Am 29.01. waren dann zwei weitere Junge geschlüpft, das 4. Ei war unbefruchtet. Die Jungen sind dünn mit Flaum bewachsen und haben eine schwärzliche Haut.

 Ernährung während Aufzucht
Zur Aufzucht wurde zusätzlich zu oben erwähnten Futterangebot die Futtermischung “Kreuzschnabel 2 für kleinere Kreuzschnäbel” von der Fa. Blattner verfüttert. Weiter wurde jetzt Quiko Aufzuchtfutter für Waldvögel angeboten, welches sehr gerne genommen wurde. Täglich bekamen meine Himalayakreuzschnäbel 4 Samentragende Fichtenzapfen, die ich vierteilte . Eine Hand voll Lärchenzapfen wurde ebenfalls täglich gereicht. Nicht fehlen dürfen frische Zweige und Knospen von den verschiedensten Gehölzen. Da zu dieser Zeit die Temperatur tagsüber bei minus 10 Grad und Nachts bis annähernd 20 Grad minus lag habe ich zusätzlich zum Trinkwasser eine Schale mit Schnee in die Voliere gestellt um für ausreichend Flüssigkeit zu sorgen, falls das Trinkwasser einmal gefroren war. Die große Kälte haben die Jungen Kreuzschnäbel im Nest ohne Schaden überstanden, was der optimalem Versorgung des Weibchens auf dem Nest durch das Männchen zu verdanken ist. Am 02.02.95 habe ich die 3 Jungen Himalayakreuzschnäbel mit 3mm Ringen beringt, welches auch problemlos geduldet wurde. Bei jeder Nestkontrolle mußte ich das Weibchen vom Nest herunter heben und es ging sofort wieder ins Nest, nach dem ich die Hand davon weg-genommen hatte. Die Jungen waren zu jedem Zeitpunkt bestens mit Futter versorgt, wie ich an den prall gefüllten Kröpfen sehen konnte. Jetzt hatte das Weibchen tagsüber das Nest schon mal für längere Zeit verlassen um selber Futter aufzunehmen. Das Männchen verlor in dieser Zeit jegliche Scheu vor mir und holte sich frisch aufgeschnittene Zapfen direkt aus meiner Hand.

10.02. - die Jungen haben bereits ein geschlossenes Federkleid und es wird eng im Nest. Am 19.02. haben dann die 3 Jungen das Nest verlassen, waren aber noch sehr tolpatschig was das Fliegen anbelangte. Nachdem die Jungen abgeflogen waren, wurde auch gleich wieder mit dem neuen Nestbau begonnen. Nun wurde als Nistplatz ein Volierennest mit Kokoseinleger ausgewählt, auch ging es diesmal bedeutend schneller als beim ersten Mal. 26.02. - die Jungen können nun schon gut und zielstrebig fliegen. Am 03.03. lag bereits das erste von drei Eiern des zweiten Geleges im Nest. Für das Männchen beginnt jetzt eine harte Zeit, da es nun die 3 Jungen und das brütende 0,1 alleine versorgen muß. Jetzt am 04.03. kann man bereits eine leichte Schnabelkrümmung bei den Jungen erkennen, sie sitzen auch schon am Futternapf und nehmen selbständig etwas Futter auf, was man aber auf keinen Fall als Selbständigkeit ansehen darf, da dieses noch einige Zeit dauern wird. 12.03. - die Jungen werden beobachtet wie sie an den am Boden liegenden Fichten- und Lärchenzapfen knabbern. 16.03. - die Jungen werden trotz heftigen betteln nur noch spärlich vom Männchen gefüttert. Der Schnabel ist jetzt bereits deutlich über Kreuz und nur noch an den Spitzen gelb, die endgültige Form und Härte wird aber erst in einigen Wochen erreicht sein. 17.03. die Jungen nehmen jetzt genügend Futter und Wasser auf und können nun als selbständig betrachtet werden. Ich entschloß mich aber dennoch die Jungen bei den Eltern zu lassen, da Sie doch noch ab und zu vom Männchen gefüttert wurden und auch keinerlei Streitereien zwischen Altvögel und Jungvögel bemerkt wurden. Bei einer Nestkontrolle am 19.03. stellte ich fest, daß bereits wieder drei Junge geschlüpft waren. Nach einer weiteren Nestkontrolle am 23.03. mußte ich feststellen, daß nur noch ein junges im Nest war, die anderen beiden fand ich tot am Boden. Noch am selben Tag wurden die Jungen dann von den Eltern getrennt, da ich der Meinung war, daß sie am Tod der beiden Jungen nicht ganz unschuldig waren. Sie kamen in eine Voliere mit den Maßen 3m x 1,5m x 2m. Diese Voliere war ebenfalls mit reichlich frischen Koniferenzweigen ausgestattet. In einen ausgedienten Ausstellungskäfig wurden täglich frische Fichten-und Lärchenzapfen gelegt. Diese Methode hat den Vorteil, daß sich die Jungen bereits von klein auf an den Ausstellungskäfig gewöhnen können. Am 24.03. beringte ich das noch übrige Junge mit einem 3 mm Ring. 28.03.96 - obwohl der Junge im Nest noch lange nicht flügge ist, beginnen die Eltern bereits wieder mit einem erneuten Nestbau. Der Junge aus der zweiten Brut verließ dann am 06.04. das Nest und am 07.04. lag das erste Ei des dritten Geleges im Nest. Am 23.04. sind 3 Junge geschlüpft die ich am 30.04. beringen konnte. Der Jungvogel aus der Vorbrut wurde bestens versorgt und stand kurz vor dem selbständig werden. Leider wurde von den 3 Jungen aus der dritten Brut nur ein Junges aufgezogen, die anderen beiden wurden nur unzureichend mit Futter versorgt und gingen kurz nach der Beringung ein. Der noch übrige Junge hat am 12.05. das Nest verlassen und wurde zusammen mit seinem Geschwister aus der zweiten Brut großgezogen. Der Jungvogel aus der zweiten Brut wurde auch nach dem Selbständigweden nicht von den Eltern getrennt, da diese sich sowieso nur um 2 Junge zu kümmern hatten. Noch bevor das Junge aus der dritten Brut Selbständig war setzte bei den Eltern die Mauser ein und beendete somit mit natürlicher weise die Zuchtsaison bei meinen Himalayakreuzschnäbeln.

Eigen kweek himalaya kruisbek pop. Foto: Peter KnopsSchlußbemerkung
Der Himalayakreuzschnabel ist Dank seines lustigen, ruhigen und sehr zutraulichen Wesen ein liebenswerter Volierenbewohner. Seinen Gesang läßt er sehr häufig ertönen und ist sehr wohlklingend. Er ist sehr robust und ausdauernd, stellt keine besonderen Ansprüche in der Haltung und ist anderen Voliereninsassen gegenüber friedlich. Im Gegensatz zu seinen größeren Verwanden verursacht er nur geringfügigen Schaden an der Voliereneinrichtung durch seinen Nagetrieb.
 A
rtenschutzrechtliches
Da es sich bei dem Himalayakreuzschnabel obwohl er nur in Asien vorkommt um ein Unterart unseres einheimischen Fichtenkreuzschnabels handelt, unterliegt er den gleichen gesetzlichen Bestimmungen des Artenschutzes wie dieser.

Noch eine Besonderheit zum Schluß
Es ist nun der 11. September und ich bin gerade dabei diesen Bericht zu schreiben. Mein Zuchtpaar Himalayakreuzschnäbel ist jetzt in einer großen Gemeinschaftsvoliere zusammen mit allen meinen anderen Kreuzschnäbeln untergebracht.
Vor einigen Tagen sah ich wie sich Männchen und Weibchen fütterten und sich sichtlich anbalzten. Das Männchen sang sehr ausdauernd und laut, auch wurde ein bestimmter Bereich der Voliere gegenüber anderen Kreuzschnäbel verteidigt. Am 01.09. sah ich die Henne mit Niestmaterial im Schnabel offenbar nach einem geeigneten Nistplatz zu suchen. Am 05.09. war das Nest, welches in einem Kaisernest erbaut wurde fertig und am 07. 09. lag bereits das erste von vier Eiern im Nest. 10.09. das Weibchen brütet nun sehr fest und wird vom Männchen auf dem Nest mit Futter versorgt.

 Fazit
Da dieses Paar bis fast Ende Mai in der Zucht stand und dann nur eine 3- monatige Ruhepause durchmachte, ist es für mich eine Besonderheit, daß sie nun schon wieder mit der Zucht beginnen. Ob dann diese Brut letztendlich einen Zuchterfolg mit sich bringen wird, kann ich jetzt zwar noch nicht sagen, aber allein die Tatsache, daß solche Vögel in dieser Jahreszeit zur Zucht schreiten ist im gewissen Sinne ein Erfolg, welcher nicht zuletzt auf eine ausgewogene Haltung zurückzuführen ist.




Anregungen zur Fichtenkreuzschnabelzucht.
Thomas Wendt.

Allgemeines
Mit diesem Beitrag möchte ich Anregungen und Tipps zur Haltung und Zucht des Fichtenkreuzschnabels geben. Vielleicht ist der eine oder andere Anfänger oder sogar ,Profi in der Kreuzschnabelzucht, für diesen oder jenen Tipp dankbar. Ich jedenfalls nehme immer wieder gerne Anregungen auf, um meine Vogelzucht noch erfolgreicher zu gestalten.
Weiterhin wird die Beschreibung und das Vorkommen dieses Kreuzschnabels in Kürze angerissen. Schon viele Jahre pflege ich diese Vogelart und immer noch habe ich sehr viel Spaß an diesem relativ großen Finkenvogel.

Beschreibung
Die Gefiederfärbung des Männchens zeigt ein ziegelrotes Kleingefieder. Der Rücken ist dunkel und der Bürzel hellrot. Die Gefiederpartien am Bauch und die Unterschwanz­decken sind grau bis braun gefärbt. Die Steuerfedern und die Schwingen haben eine dunkelbraune Färbung, wobei die Schwingen hell gesäumt sind und bei einigen Ex­emplaren matt rot schimmern. Der Schnabel, die Füße und die Iris sind braun.
In der Gefangenschaft verlieren die Männchen ihre rote Gefiederfärbung und zeigen statt dessen ein überwiegend leuchtendes olivegelbes Gefieder. In ausreichend großen Volieren und bei großzügiger Gabe von Grünfutter legen die Männchen ein orange wir­kendes Kleingefieder an. Mit einem Rotfutter, wie es die Kanarienzüchter gebrauchen, kann die rote Gefiederfärbung erzielt werden. Ich selber habe es bei meinen Fichten­kreuzschnäbeln erst einmal ausprobiert und es hat gut geklappt. Da ich meine Vögel mit dem rotfärbenden Mittel nicht unnötig belasten möchte, habe ich es bei diesem einen Versuch belassen und erfreue mich auch so an dem olivegelben Gefieder.
Die Weibchen sind Unterseits grau bis grüngelb. Der Rücken ist dunkel graubraun ge­streift. Der Bürzel hingegen ist hellgelb.
Das Jugendgefieder der Fichtenkreuzschnäbel zeigt eine graugrüne Gefiederfärbung mit starker, dunkelbrauner Längsstrichelung am ganzen Körper.
Der Gesang ist ein oftmals unermüdlich vorgetragenes, hastiges Zwitschern. Anson­sten geben die Fichtenkreuzschnäbel metallisch klingende Kontaktrufe von sich.
Die Schnäbel der Jungtiere beginnen ab ca. der fünften bis sechsten Lebenswoche sich zu krümmen. Dabei können sich der Ober- bzw. der Unterschnabel nach rechts oder nach links biegen.

Vorkommen
Fichtenkreuzschnäbel kommen lückenhaft in verschiedenen Unterarten in fast ganz Europa vor. Weiterhin ist er in Teilen Nordafrikas, Asiens, Nord- und Mittelamerikas beheimatet. Sein Vorkommen ist starken Häufigkeitsschwankungen unterworfen. Die­ses hängt mit dem Nahrungsvorkommen zusammen. Sie sind nicht sesshaft, sondern ziehen ständig umher, um Nahrung zu finden. Wo das Nahrungsangebot günstig ist, verbleiben sie.
Da sich der Fichtenkreuzschnabel, wie alle Kreuzschnabelarten, auf Koniferensamen als Nahrung spezialisiert hat, kommt er auch ausschließlich in Gebieten vor, die star­ken Nadelbaumbestand aufweisen. Wie der Name schon sagt, liebt der Fichtenkreuz­schnabel die Samenkörner aus den Fichtenzapfen. Er nimmt auch von anderen Koni­ferensamen, aber er bevorzugt die Fichtensamen.
Er bewohnt hauptsächlich Nadelwälder, kommt aber hin und wieder auch in Gärten und Parks mit vielen zapfentragenden Nadelbäumen vor.
In Jahren mit schlechter Zapfenbildung, kommt es zu Massenwanderun­gen bei den Fichtenkreuzschnäbeln. In die­sen Jahren kommt er in einigen Gebieten invasi­onsartig vor. Da er seine Jungen vor­wiegend mit Fichtensa­men ernährt und diese im Winter reif sind, liegt seine Brutzeit auch in dieser kalten Jahreszeit. Meist beginnt er mit sei­nem Brutgeschäft im Spätwinter.

Unterbringung
Die Haltung und auch die Zucht des Fichtenkreuzschnabels gelingt in großen Flugkä­figen und in Volieren jeder Größe. Voraussetzung ist eine, dem Lebensraum des Fich­tenkreuzschnabels angepasste, Ausstattung des Geheges mit Nadelholzzweigen. Durch die regelmäßige Gabe von frischen Zweigen, wird der Käfig oder die Voliere vor dem Zernagen verschont. Ein wichtiger Aspekt zur erfolgreichen Zucht ist eine angemes­sene Besetzung der Unterkunft. Zum einen darf die Voliere nicht überbesetzt sein, zum anderen dürfen nur untereinander verträgliche Vogelarten zusammengehalten werden. Wird einer dieser Punkte nicht beachtet, ist eine erfolgreiche, dauerhafte Zucht des Fichtenkreuzschnabels nicht möglich. Dies gilt im übrigen für alle Vogelarten.
Ich züchte Fichtenkreuzschnäbel in verschiedenen Volieren. Zum einen in Innenvo­lieren (Maße LT 2,20 m; T 1,00 m; B 1,25 m), zum anderen in Außenvolieren (Maße H 2,50 m; T 3,00 m; B 2,00 m), die einen wind- und regengeschützten Unterstand bein­halten. Als weitere Möglichkeit steht eine etwa 50 qm Gemeinschaftsvoliere zur Ver­fügung. An diese Voliere schließt ein frostfreier Innenraum, welcher einen Teil der Futterküche darstellt.
Außer in den Innenvolieren hatte ich die Fichtenkreuzschnäbel stets mit anderen Vö­geln vergesellschaftet. Ich hielt sie bereits mit vielen einheimischen Cardueliden zu­sammen, wie z. B. mit Stieglitzen, Dompfaffen, Kirschkernbeißer, Bergfinken oder Bir­kenzeisigen. Aber auch mit Insektenfressern hielt ich sie schon zusammen. Ernsthaf­te Auseinandersetzungen konnte ich eigentlich mit keiner Vogelart feststellen.
Schon im Herbst werden die Volieren auf die Zuchtsaison vorbereitet. Der Boden wird bearbeitet und teilweise Bäume und Büsche ausgewechselt. Am Ende des Winters werden dann frische Kiefernzweige eingebracht. Auch Nistgelegenheiten in Form vom selbsthergestellten Nistklötzen, Holzkaisernestern, Waldvogelnestern (Bambus­körbchen) und große Drahtkörbchen werden angebracht. In erster Linie werden die Drahtkörbchen und die Holzkaisernester angenommen. Alle Nistgelegenheiten wer­den gut mit Kiefernzweigen verkleidet. Einige Paare bevorzugen die Herstellung frei-stehender Nester.
Da die Seiten der Volieren dicht mit Kiefernzweigen verkleidet werden, fühlen sich die Vögel sicher.
Als Bodenbelag dient Walderde und Mutterboden. Der Boden der Volieren ist stets dicht bewachsen. Disteln, Brennnesseln, Vogelmiere, Gräser und Löwenzahn bilden hier den Hauptanteil. An Bäumen bevorzuge ich Fichten, verschiedene Lebensbaumarten, Kiefern und Holunder.
Als Bade- und Trinkwasserbecken dient ein selbsthergestelltes Betonbecken, dass einen Zu- und Ablauf besitzt. So ist es kein Problem in kurzer Zeit das Wasser zu wechseln.
Einige Findlinge, Baumstümpfe, je ein Kaninchenmisthaufen, ein Drahtbehälter für das Nistmaterial und ein Futtertisch vervollständigen die Einrichtung.
Das eben Gesagte gilt für die Außenvolieren. Die Innenvolieren dagegen, werden wesentlich spartanischer eingerichtet.

Zucht
Wie eingangs erwähnt, fällt die Hauptreifezeit der Zapfen in den Winter und darum beginnen auch die Kreuzschnäbel im Winter mit der Brut. In meinen Volieren steuere ich den Beginn der Brutzeit auf Ende Februar, Anfang März. Dies erreicht man durch abwechslungsreichere Fütterung, vermehrte Gabe von verschiedenen Zapfen und durch das Einbringen von verschiedenen Nistmaterialien.
Das Nistmaterial besteht bei mir aus Birken- und Fichtenzweigen, trockenen Gräsern, Schilfblättern, Tierhaaren, Kokos-, Sisal-, und Jutefasern, Scharpie sowie aus feiner Autowatte. Nach meinen Erfahrungen animiert die Autowatte meine Fichtenkreuz­schnäbel zum Nestbau.
Die feinen Nistmaterialien biete ich in einem grobmaschigen Drahtbehälter an. Die groben Materialien werden auf dem Boden gereicht. Auch der eingebrachte Waldbo­den enthält eine Reihe von gerne genommenen Nistmaterialien in Form von Fasern, Zweigen und Würzeichen.
Meine Fichtenkreuzschnabelpaare können sich selber finden. Dies ist eine wichtige Voraussetzung für eine erfolgreiche Zucht. Ab dem Spätherbst halte ich meine Kreuz­schnäbel im Schwarm. Harmonierende Partner werden zusammengesetzt. Überzählige Vögel werden anderen Züchtern zur Verfügung gestellt.
Anfang des Jahres beginnen die Männchen immer lauter zu singen und die Weibchen betteln flügelschlagend die Männchen um Futter an.
Ab Ende Februar beginnen dann beide Partner mit dem Nestbau. Hierbei konnte ich beobachten, dass das Männchen überwiegend für den Nestunterbau zuständig ist und das Weibchen für die Innenauspolsterung. Kreuzschnabelnester sind relativ dickwan­dig. Dies ist wohl auf die frühe Brutphase der Vögel zurückzuführen.
Im täglichen Abstand werden nun die Eier gelegt. Die Gelege bestehen meistens aus vier, ausnahmsweise nur aus drei Eiern.
Fünfergelege hatte ich bis heute noch keine. Das Weibchen sitzt ab dem zweiten Ei fest auf ihrem Gelege und verlässt dieses nur sehr selten und dann auch nur für sehr kurze Zeit, um sich zu entleeren und um zu trinken. Fressen braucht es außerhalb des Ne­stes kaum, weil das Männchen es sehr sorgsam am Nest füttert.
Nach durchschnittlich 15 Tagen Brutzeit schlüpfen die Jungen. Eierschalen habe ich bisher in meinen Volieren nicht gefunden, deshalb gehe ich davon aus, dass die Altvögel die Schalen fressen. In der ersten Lebenswoche werden die Jungen ausschließ­lich vom Weibchen gefüttert, welches das Futter vom Männchen übergeben bekommt. Hier zeigt sich, wie wichtig ein gut harmonierendes Paar ist. Sollte das Männchen nicht mitfüttern, ist die ganze Brut verloren.
Nach fünf Tagen beringe ich die Jungtiere mit 3,5 mm Ringen. Das Beringen nahmen mir die Vögel noch nie übel. Nestkontrollen nehme ich bei all meinen Vögeln nur vor, wenn der jeweilige Vogel freiwillig das Nest verlassen hat.
Nach ca. einer Woche beginnt auch das Männchen die Jungen zu füttern. Das Weib­chen verlässt jetzt auch immer häufiger das Nest, um Futter herbeizuschaffen. Die Jun­gen wachsen sehr rasch heran und nach durchschnittlich ~ 7 Tagen verlassen sie, re­lativ sicher fliegend, das Nest. In der Zwischenzeit hat das Männchen schon wieder damit begonnen, ein neues Nest zu erstellen. Das Weibchen füttert die Jungen noch ca. 4 Tage gemeinsam mit dem Männchen. Anschließend polstert das Weibchen das neue Nest aus und beginnt mit der Eiablage des nächsten Geleges. Nun füttert das Männchen die ausgeflogenen Jungen alleine.
Nach ca. 6-7 Wochen sind die Jungen selbständig. Teilweise werden die Jungvögel der ersten Brut noch gemeinsam mit den ausgeflogenen Jungvögeln der zweiten Brut ge­füttert.
Nach der dritten Brut entferne ich die Nistgelegenheiten, um die Vögel nicht zu über­lasten. Es ist aber auch schon vorgekommen, dass ein Pärchen fünf (!) Bruten hinter­einander gemacht hat. Dieses sollte aber nicht der Regelfall sein.
Ab dem Herbst lasse ich dann meine Kreuzschnäbel wieder alle zusammen in einen Flug. Die Mauser der Kreuzschnäbel verlief bisher immer ohne Probleme.
Fütterung
Als Grundfutter dient meinen Fichtenkreuzschnäbeln eine Mischung der Firma Blattner. Diese enthält u. a. sehr hochwertige Saaten, wie z.B. feine und mittelgroße Fichtensamen, Kiefersamen sowie andere Koniferensaaten. Weiterhin gebe ich ein gutes Waldvogelfutter, dass u. a. neben Negersaat, Perilla, Mohn, geschälten Sonnenblu­menkernen, Zichorien, Sesam auch Fichten-, Gras- und Salatsamen enthält. Auch die­se Mischung beziehe ich von der Futtermittelhandlung Blattner. In Extraschalen wer­den noch Perilla, Kanariensaat, Kürbiskerne, getrocknete Ebereschenbeeren, Hanf und eine Grit-Kalk-Taubensteinmischung angeboten. Ab dem zeitigen Frühjahr wird auch Keimfutter gegeben. Über die Herstellung wurde schon oftmals, auch von mir, berich­tet.
Grünfutter sowie halbreife und reife Samenstände werden je nach Jahreszeit gereicht, d. h. es wird ,,Grünes der Saison" gegeben. In erster Linie seien hier Vogelmiere, Löwenzahn und Ampfer genannt. Süße Apfel und Salatgurken werden das ganze Jahr gereicht. Hin und wieder konnte ich meine Fichtenkreuzschnäbel beobachten, wie sie vom Wiesenplankton und von Mehlwürmern nahmen.
Als Beschäftigungsmöglichkeit biete ich meinen Vögeln vorgebohrte, auf Draht ge­spießte, Zapfen an. Sehr gerne knabbern nicht nur die Fichtenkreuzschnäbel an den Zapfen, auch Stieglitze und Erlenzeisige ergattern mit ihren spitzen Schnäbeln das eine oder andere Samenkorn.
Von meinem selbsthergestellten Weichfutter nahmen meine Kreuzschnäbel nie etwas auf.
Zusammenfassung
Die Haltung und Zucht des Fichtenkreuzschnabels ist nicht schwer. Voraussetzung ist ein gut harmonierendes Paar. Hierbei ist zu beachten, dass vor allem die Weibchen sehr wählerisch sind. Weiterhin sollte eine biotopmäßig eingerichtete Voliere und ent­sprechend abwechslungsreiches Futter angeboten werden. Bei diesen Voraussetzun­gen wird man viel Freude an seinen Vögeln haben.
Da die Fichtenkreuzschnäbel sehr anfällig auf Grabmilben sind, sollte man die Füße und Ständer zwei- bis dreimal jährlich mit Vaseline einreiben. So behalten die Vögel sehr glatte Beine. Sollte doch ein Exemplar von Grabmilben heimgesucht werden, be­handelt man die Beine mit Odylene (nicht mehr im Handel erhältlich), Balistol oder einem speziellen Mittel gegen Grabmilben.
Neben den Fichtenkreuzschnäbeln sind auch die Kiefern- und die Bindenkreuzschnäbel sehr hübsche und interessante Vögel. Vorstehendes kann auch für diese Kreuzschnabelarten angewendet werden. Ich hielt und züchtete bisher nur den Fich­tenkreuzschnabel, da ich nicht bereit bin, für die anderen genannten Arten sehr hohe Stimmen pro Paar zu bezahlen. Manche Züchterpreise sind in meinen Augen absolut überhöht. Solange der Marktwert dieser Vögel so hoch bleibt, erfreue ich mich an mei­nen Fichtenkreuzschnäbeln. Aber ich hoffe, dass ich irgendwann einmal diese Kreuz­schnabelarten halten und züchten werde.
Vielleicht konnte ich dem einen oder anderen Züchter eine Hilfestellung oder einen Tipp geben. Bleibt zu hoffen, dass der Fichtenkreuzschnabel aufgrund seines geringen ,,Marktwertes" für die Züchter nicht irgendwann einmal uninteressant wird.
 

Kennzeichen: 16,5 cm. Größer und plumper als der Buchfink mit überkreuzten Schnabelspitzen.
1,0: Gefieder ist ziegelrot bis orangerot, die Flügel sind schwarzbraun ohne Flügelbinden, der Schwanz ist schwarzbraun, tief eingekerbt.
0,1: oberseits olivgrün, schwach dunkel gefleckt. Die Unterseite und der Bürzel sind gelblich.
Die Jungvögel sind ähnlich wie die Weibchen gefärbt aber stark längsgestreift.
Gewicht: zwischen 40 – 45 g Stimme: ruft im Flug hart „kipp-kipp“, sehr ähnlich dem Kiefernkreuzschnabel, aber höher. Gesang besteht aus vielen, verschiedenartigen, meist 2- bis 3mal wie-derholten Silben aus pfeifenden und klirrenden Tönen, die mit Flugrufen vermischt sind. Verhalten: der Fichtenkreuzschnabel lebt gesellig, klettert papageienartig an zapfentragenden Nadelzweigen.
Brut: der Fichtenkreuzschnabel kann zu jeder Jahres-zeit brütend angetroffen werden, am häufigsten in den letzten Wintermonaten. Es werden meist 3 – 4 Eier gelegt, die Brutzeit beträgt 12 bis 16 Tage, die Nestlings-zeit der Jungen beträgt ca. 14 Tage. Es werden meist nur 1 – 2 Bruten im Jahr durchgeführt. Verbreitung: Der Fichtenkreuzschnabel ist beheimatet in Europa, Asien, Nordwest Afrika und Nordamerika.
Das Brutgebiet des Fichtenkreuzschnabels ist nicht genau zu umreißen, weil er „vagabundierend“ herumstreift und sich in Gebieten mit reichem Angebot an Fichtenzapfen – seiner Hauptnahrung – zur Brut niederläßt. Auch der Zeitpunkt der Brut ist von den Nahrungsbedingungen abhängig. Ihre Schnabelform macht es Kreuzschnäbeln besonders leicht, Zapfenschuppen auseinanderzuspreizen und die Samen darunter her-vorzuholen. Außer Koniferensamen verzehren sie regelmäßig Pflanzenläuse, gelegentlich auch Samen von Laubbäumen und Knospen. Der Fichtenkreuzschnabel ist leicht mit dem Kiefernkreuzschnabel zu verwechseln, der jedoch nur noch sehr selten in Mittel- und Südeuropa anzutreffen ist. Fichtenkreuzschnäbel leben vorwiegend im Gebirge in Fichten- und Tannenwäldern, manchmal, so in Schottland, auch in Kiefernwäldern. In den Alpen brüten sie in Höhen bis etwa 1800 m. Das Weibchen baut hoch in Nadelbäumen ein stabiles Nest aus Reisern, Halmen, Moos und Flechten. Während es auf Eiern sitzt, wird es vom Männchen mit Nahrung versorgt. Beide Eltern füttern die Jungen. Im Anschluß an die Brut schließen sich Fichtenkreuzschnäbel zu unterschiedlich großen Trupps zusammen. Im Gebirge gehen sie dann auch in höhere Lagen und ernähren sich dort von Samen aus Latschenzapfen. Fichtenkreuzschnäbel halten sich das ganz Jahr über im Brutgebiet auf.

Copyright: Thomas Wendt

 

KRUISBEKKEN

bron: tijdschrift de Sneeuwputter, Richard Goessens

Zuidelijke kruisbekken.
Ondersoorten van de bovengenoemde hoofdsoorten (gewone-, grote- en witbandkruisbek) die voorkomen in zuidelijker gebieden hebben in het algemeen een zwaardere snavel. Dit is toe te schrijven aan het grotere formaat kegels, die de bomen onder invloed van het in grotere mate aanwezige zonlicht, vormen. Zo heef de poliogyna en guillemardi, aangepast aan de mediterane dennenbossen, een dikkere snavel. Ook de witband-ondersoort megaplaga, die voorkomt in de Dominicaanse republiek eveneens een zwaardere snavel gekregen.

Voedsel in de natuur.
Zaad van coniferen vormt de voornaamste, bijna enige voedselbron voor de kruisbek. Het leven van de kruisbek is dan ook onlosmakelijk verbonden met het naaldbos. Ze zaadvorming van de verschillende boomsoorten en het tijdstip waarop de rijpe zaden voor de kruisbek bereikbaar zijn, drukt een stevige stempel op het kruisbekken leven. Het naaldbos omspant op hoge breedtegraad heel het noordelijke halfrond. Als het grootste woud op aarde, loopt dit als een brede gordel over van Eurazië naar Noord-Amerika. De naaldboom is door het kleinere oppervlak van haar blad beter bestand tegen lage temperaturen en concurreert zo met het zuidelijker voorkomende loofbomen. Hierdoor komen ook naaldbomen voor in koude bergstreken op lagere breedtegraden, bijvoorbeeld de Alpen, het Atlasgebergte in Noord-Afrika of de Mexicaanse Siërra Madre. Bij het voedsel verzamelen hangt de kruisbek vaak onderste boven aan een kegel en pulkt zo de zaden eruit. Zijn de kegels niet open dan wrikt de kruisbek er een los van de boom en neemt hem mee naar een stevige horizontale tak. Daar wordt de kegel onder een poot stevig klemgezet en de snavelpunt onder een schub geduwd. Met zijn lange tong kan hij vervolgens aan de diepliggende zaden komen. Kruisbekken gaan kwistig om met kegels en laten ze gemakkelijk weer vallen. Door de bomen afgeschut zaad is voor de kruisbek verloren. Het vetrijke zaad maakt van de kruisbek een veelvuldige drinker. Makkelijk bereikbaar drinkwater vormt dan ook een belangrijk onderdeel van het kruisbekkenbiotoop. Ondanks hun specialisatie zijn kruisbekken waargenomen op een breed scala van voedselplanten. Zo eet de kruisbek onder andere beukennoten, zonnebloemzaad, appelpitten, lijsterbessen, knoppen van bloemen en bomen, allerlei onkruiden, tot distel en klissenzaad toe. Vele auteurs vermelden de verzotheid van kruisbekken op zout, zo pikken ze s´winters aan strooizout op wegen of drinken van het smeltwater. Ook is waargenomen hoe kruisbekken van urinevlekken (mineralen) in de sneeuw eten. Andere gerapporteerde vreemde gangen van de kruisbekmenukaart zijn gruis van schoorstenen en afgebrokkelde stopverf.

Lariks, spar, den
In het noordelijke naaldbos zijn de spar, den en lariks de dominerende boomsoorten. De kegels worden gevormd in de late zomer. Eenmaal uitgerijpt openen de kegels hun schubben en vallen de zaden op de grond. Deze zijn dan voor de kruisbek verloren. Zoeken ernaar kost de vogels veel tijd en de kans dat de vogel ten prooi valt is groter dan in de boom. Kegels van de lariks, de meest voorkomende boom op de Siberische taiga, openen al, ± 3 maanden nadat ze gevormd zijn, in de herfst. Doordat de larikskegels rechtop staan, wordt een deel van het zaad niet afgeschut, maar blijft in de kegels aanwezig, zodat deze langere tijd als voedselbron kunnen dienen voor de kruisbek. De kegels van de spar openen na ± 8 maanden, vroeg in de lente van het daarop volgend jaar, terwijl dennenkegels zich pas openen na ± 17 maanden bijna 1,5 jaar nadat ze gevormd zijn, in de late winter. Kruisbekken kunnen kegels in elke ontwikkelingsstadia open krijgen. De gesloten harde dennenkegel levert natuurlijk te weinig rendement op, om het gevecht ermee aan te gaan, zodat de kruisbek wacht tot ze vanzelf opengaan. Ze kunnen dan een zevental maanden profiteren van het zaad.

De jeugd
De jongen kippen na 13 tot 16 dagen broeden. Aanvankelijk voedt de man de pop op het nest, waarna de pop het voedsel weer overdraagt aan haar jongen. Sommige poppen laten de man reeds na 2-3 dagen de jongen rechtstreeks voeren, terwijl dit meestal eerst vanaf ± dag 6 gebeurt. Geconstateerd is dat een grote kruisbek haar jongen, 3 dagen oud, bij een temperatuur tegen het vriespunt een uur alleen liet. Later werden de jongen bij een temperatuur van 2° Celsius zelfs 1,5 uur alleen gelaten, deze schenen toen dood, maar sperden na 7 minuten broeden weer volop. In het koude jaargetijde zullen alleen boomzaden gevoerd worden. Het eiwitgehalte van sparrenzaden kan van jaar tot jaar flink verschillen maar licht tussen 9 en 33%. Daarbij is het gehalte aan eiwit in het noorden minder dan het zuiden. Broed de kruisbek in een warmer jaargetijde, werd waargenomen dat de kruisbek dierlijk eiwit in de vorm van kevertjes, spinnen, rupsen en bladluizen op het menu heeft staan. Kruisbekkenjongen groeien slechts langzaam, waarschijnlijk een aanpassing aan de koude. Ze blijven 18 tot 22 dagen, soms we 25 dagen, in het nest en worden tot hun 45 levensdag (soms langer) gevoerd door de ouders. De jongen worden snel vliegvlugger en onafhankelijk en de wegen tussen de ouders en hun jongen splitsen zich. De gescheiden families vinden ieder aansluiting bij andere groepen en de bedelende jongen zullen ook door andere kruisbekken worden bijgevoerd, zelfs door jongen uit een eerdere broedronde.

Broed
Het fenomeen dat kruisbekken in elke maand tot broeden kunnen overgaan, wordt vaak als eerste vermeld in publicaties over deze vogels. Kruisbekken kennen amper de daglengte als biologische klok, maar laten hun eigen leiden door het voedselaanbod. Toch zijn kruisbekken niet geheel vrij in hun keuze. Het bos, met name de verhouding tussen lariksen, sparren en dennen bepaald wat de mogelijkheden er zijn. Larikszaad is 3 maanden voor de kruisbek beschikbaar, sparrenzaad 9 maanden en dennenzaad 7 maanden per jaar Valt de ene voedselbron weg, schakelen ze in een gemengd bos over op de andere. Finse kruisbekken kunnen bijna jaarrond broeden. Eerst benutten ze, van laat in de zomer larikszaad vervolgens sparrenzaad tot vroeg in mei, vervolgens van mei tot juli, de oogst aan dennenzaad, Broedsels hartje winter zijn vrij zeldzaam. Meer noch dan de kou of het voedselaanbod, vormt het beperkt aantal uren daglicht een belemmering. In de aangeplante monocultuur van sparrenbossen in Midden-Europa tonen de kruisbekken een voorkeur voor het voorjaar om te broeden. In de zuidelijke Oeral broeden de kruisbekken indien mogelijk 2x per jaar, in mei tot juli de oogst aan dennenzaad benuttend en in augustus- september op de oogst aan larikszaad. Soms is de oogst aan larikszaad te gering en slaan ze het najaar over, valt ook de dennenoogst tegen, wordt helemaal niet gebroed. Tienshanica uit Centraal-azie broed laat in de zomer tot vroeg in de herfst, parallel aan de oogst van de picea shrenkina, een soort spar, hun belangrijkste voedselbron. In de Rocky Mountains broeden de kruisbekken van december tot juni laag in de bergen en van juli tot september hoog in de bergen. Zo benutten ze verschillen in de kegelontwikkeling onder invloed van het klimaat. Kruisbekken tonen zich dus zeer flexibel. Soms broeden ze twee keer in een jaar in het zelfde gebied, soms broeden ze twee keer in een jaar in verschillende gebieden, desnoods in volle rui. Ook zijn ze zeer jong geslachtsrijp. Twee poppen geschoten in Britisch Colombia, in augustus, waarschijnlijk jongen van dat voorjaar,droegen al eieren in hun eileiders.

Populatie
De grootte van de kruisbekkenpopulatie valt moeilijk te schatten. Zweden telt 100.000 tot 200.000 broedparen, in piekjaren 500.000. Zitten de bomen vol zaden loopt de populatie sterk op. Zweedse schattingen komen op 10-12 paren per hectare. Russische (St. Petersburg) schattingen komen op 4 paren per hectare, waar de vogels in jaren met een slechte oogst nagenoeg ontbreken. De wereldpopulatie zal de 10 miljoen broedparen ruim overschrijden. Door de massale aanplant van naaldbomen in ons land de laatste eeuwen vestigde de kruisbek zich ook hier als broedvogel. Voor België wordt het aantal broedparen op 3600 geschat. Voor Nederland wordt het aantal broedparen geschat op 500 broedparen. Deze getallen kunnen ook hier sterk wisselen, omdat bijvoorbeeld het aantal broedparen in Nederland na invasies oploopt tot 1000.

Het nest
Het nest van de kruisbek is gemaakt van gras, mos, heide en stukken schors op een onderbouw van verse twijgen en zit goed verscholen hoog in een naaldboom. De man zoekt mee naar een gunstige plaats, maar helpt niet mee met de bouw. Kiest een kruisbek voor een spar dan zit het nest meestal dicht bij de stam, in een den meestal op een tak. Doorgaans bouwt de kruisbek aan de zuidkant en is het nest van binnen goed geïsoleerd met (korst)mos, dode bladeren, dennennaalden, veren, dierdons of plantendons. De kruisbek bouwt s´winters dikkere nesten dan in de lente. Het vervaardigen vergt 1 tot 2 weken of nog langer.

Polyandrie
In slechte oogstjaren valt het voor de kruisbek niet mee een nest jongen groot te brengen. Men heeft nestjongen van de grote kruisbek gewogen vóór en na de voederbeurt. Zo bleken ze ±2 gram halfverteerde dennenzaden te ontvangen. Uitgaande van een nestperiode van 25 dagen met 10 voederbeurten per dag komt men op een totaal van ± 85000 zaden nodig om een nest grote kruisbekken te doen uitvliegen. Dit vergt vooral veel van de mannen tijdens het broeden, en met de kleine jongen in het nest mag de pop nooit lang weg. In de natuur wordt een surplus aan kruisbekmannen waargenomen. Wellicht heeft de natuur zo voor een ruimere marge gezorgd, waardoor de kruisbekpop zich laat voeren door twee mannen en wisselt de pop soms voor de tweede ronde van man. Wanneer na het uitvliegen andere kruisbekken, of zelfs de jongen uit de eerste ronde meevoeren, verlicht dat de last van de ouders. De kruisbekpopulatie van het bos kent vaak broedende en niet broedende vogels door elkaar heen. Zit er te weinig zaad op de bomen, raakt een deel van de populatie niet in broedstemming. Ook een te hoog aantal kruisbekken in een gebied verhinderd dit, waardoor de vogels zenuwachtiger worden en tekenen van invasiegedrag beginnen te vertonen.

Ondersoorten
Deze berusten vooral op de vorm en de lengte van de snavel en minder de kleur van het verenkleed. Het laatste wordt door meerder factoren beïnvloed zoals onder andere slijtage en voedselaanbod. De boomsoorten waarop in sommige regio´s gefoerageerd wordt kunnen eveneens de afbakening mee bepalen. Kenmerkend voor bepaalde ondersoorten in geïsoleerde dennenbossen is de zware snavel terwijl men bij geïsoleerde sparrenbossen meestal ondersoorten aantreft met een lichtere snavel. In naaldbossen met een gevarieerd aantal naaldboomsoorten bezit de kruisbek een snavel van tussenmaat. Hoe kruisbekkenondersoorten ten opzichte van elkaar geplaatst dienen te worden is deels nog onontgonnen terrein.

Concurentie
Ook andere vogel- en diersoorten exploiteren de jaarlijkse oogst van naaldboomzaden. Er is echter geen enkel dier die dat zo efficiënt doet als de kruisbek. De snavel van de specht toont zich voor dit werk toch als een minder snel werktuig. Sijzen en mezen krijgen de kegels slecht met moeite of helemaal niet open. Eekhoorns kunnen goed overweg met de enigszins grotere dennenkegels, maar zijn toch minder mobiel dan kruisbekken, maar het vormt niet hun hoofdvoedsel.

Territorium
Het territoriumgedrag bij de kruisbek hangt vrij ingewikkeld in mekaar. Kruisbekken kennen geen echt territorium.Zoals de vink, maar bewaken toch meer ruimte, vaak enige hectaren, dan andere vinkachtigen zoals de putter of groenling.Over het territorium worden baltsvluchten gemaakt. Bezit van een territorium biedt de vogels rust om efficiënt, zonder voortdurende strijd, de broedcyclus te doorlopen. Het verdedigen van enkel zaadrijke bomen in de omgeving van het nest, staat toe snel voedsel te verzamelen wanneer de pop zit te broeden of om de hongerige jongen snel te voeren. Eveneens kan de man die dergelijke bomen claimt, zo makkelijker een pop lokken. Verder dwingt dit territoriumgedrag de vogelpopulatie zich optimaal te verspreiden in het bos. Niettemin broeden kruisbekken vaak met 2-3paren in kleine kolonies bij elkaar.Voordeel hiervan kan zijn dat de kruisbekken informatie uitwisselen over rijke voedselbronnen en het sneller opmerken van predatoren. Kruisbekken worden belaagd door eekhoorns, boommarters, hermelijnen, taiga-gaaien, bonte kraaien, sperwers, haviken, bos- en ransuilen.

Ondersoorten
De verschillen in Europa en Rusland zijn slechts gering. Poliogyna in Noord-Afrika is wat lichter, guillemardi in het zuidoosten, op Cyprus, in Turkije en de Kaukasus donkerder. Beide bezitten een zware snavel, die bij guillemardi ook vrij lang is. Mariae, balearica en corsicana kunnen beschouwd worden als tussenvormen.In Centraal- en Oost-Azië wijken de ondersoorten meer af. Deze zijn allen kleiner dan curvirostra. Het kleinste zijn hymalayensis en Luzonensis, die fijne snavels bezitten. De Vietnamese meriodonalis valt op door een zware snavel. Altaiensis en in het bij- zonder himalayensis zijn donker gekleurd. Japonica heeft lichte onderstaartdekveren.De Amerikaanse ondersoorten zijn alle kleiner dan curvirostra behalve stricklandi uit Mexico. Allerkleinst is orange sitkensis van de noordwest- kust. Ook heel klein is bruinrode minor van de oost- kust. Diens beide buren zijn groter waarbij pusilla van Newfoundland donkerder van kleur is, benti in het midwesten helderder rood. Verder naar het westen in de Rockies neemt bij bendirei de grootte af en wordt de kleur meer vuurrood. Californische grinelli is weer groter en nog sterker vuurrood van kleur. Dieper naar het zuiden in Mexico komt stricklandi voor de grootste Noord-Arnerikaan en bloed- rood. Nog verder naar het zuiden in Honduras en Nicaragua leeft mesamericena, deze is weer kleiner en donkerder.

Ieder zijn boom.
De verschillende soorten kruisbekken hebben ieder een speciale band met een naaldboomsoort. Bij de gewone kruisbek is dat de spar, bij de witbandkruisbek is dat de lariks en bij de grote kruisbek is dat de den. Dit komt tot uiting in de snavelvorm. Terwijl de massieve, papegaaiachtige snavel, van de grote kruisbek vooral is aangepast om de zaden te kunnen bereiken van de stevige, harde kegels van de dennenboom, geeft de verfijnde snavel van de witbandkruisbek, hem de mogelijkheid om de kleinere larikskegels snel te ontdoen van zijn zaden. De zaden van de spar, kunnen gemakkelijk bereikt worden door een snavelvorm zoals die van de gewone kruisbek, die echter ook het larikszaad niet versmaadt. Aangezien de witbandkruisbek beter aangepast is tegen strenge kou, waardoor diens verspreidingsgebied meer naar het noorden trekt, beperkt zich de concurrentie tussen de witband- en de gewone kruisbek. Vaak vormt de specifieke boomsoort echt de hoofdvoedselbron, hoewel door de verschillende kruisbekken even makkelijk zaad gegeten wordt van andere naaldbomen. Wanneer echter voedselschaarste dreigt, kan elke kruisbekkensoort terugvallen op zijn specifieke eigen boomsoort, waarop de andere ondersoorten het als voedselconcurenten moeten afleggen.

Naaldboomspecialist
De verscheidenheid van snavelvormen is bij de vinken familie (fringillidae) opmerkelijk. Door de evolutie heeft elke soort een snavel ontwikkeld, die bijzonder geschikt is voor het snel bereiken of pellen van de bepaalde zaden, die voor de soort als hoofdvoedsel dienen. Door deze specialisatie wordt concurrentie tussen de vinkensoorten onderling beperkt. De kruisbek met zijn geheel afwijkende snavel is hier een goed voorbeeld van. De snavel is bij de geboorte recht, maar na ± 4 weken begint deze kruiselings over mekaar te groeien, rechts over links of omgekeerd. Zowel rechts- en links gekruiste gesnavelde vogels kunnen in één nest voorkomen. Het hoofdvoedsel bestaat uit naaldboomzaden. De gekruiste snavel komt van pas, om de schubben waaruit de zaadkegel (dennenappel) is opgebouwd, weg te buigen, waardoor het zaadje bereikbaar wordt, dat met de tong achter uit de schubben wordt gelepeld. Opvallend bij de snavelconstructie is de grote kracht waarmee de snaveldelen ten opzichte van elkaar óók horizontaal kunnen verschuiven (tot wel 1cm). De papagaai van onze bossen wordt hij wel genoemd. Zijn eigenaardig gevormde snavel lijkt wel wat van die van een papagaai, maar meer dan dat, is het zijn gedrag dat de overeenkomst tot uitdrukking brengt. Zo klautert hij vaak behendig omhoog langs takken en dennenkegels, gebruikmakend van zijn snavel. Ook hangt hij vaak onderste boven aan een takje of zaadkegel, soms slechts van een poot gebruikmakend. Ook bijt hij wel eens een kegels van een tak af om die op een rustig plekje leeg te peuteren. Knagen is een van zijn hobby´s. Alles wat los of vast zit wordt onderzocht, en indien mogelijk gekraakt of kapot gemaakt. Volières van hout zijn hierdoor minder geschikt om kruisbekken te houden. Heeft men toch een volière van hout kan men het verwoesten van de kooi enigszins voorkomen door voldoende kaaggelegenheid aan te bieden in de vorm van stukjes wilgentak, dennentakken etc, echter helemaal tegengaan kan men het niet. Frappant is ook de onvoorstelbare graad van tamheid die de vogel bij juiste verzorging aan de dag legt. De vogel kan als een grijze roodstaartpapagaai behandeld worden, zo mak wordt de vogel; hij volgt zijn verzorger, klimt in vrijheid tegen zijn lichaam op, eet uit de hand en neemt lekkernijen uit de mond, blijft op de schouder zitten (ook in de tuin) etc… Kruisbekken in de natuur leven een echt nomadenbestaan, ze zijn daar te vinden waar hun voedsel, naaldboomzaden voorhanden is: het naaldbomenbos. Is deze voorraad op, trekken ze verder naar nieuwe oogstgebieden. Opmerkelijk is tevens hun broedgedrag. Het spreekwoord “In mei legt iedere vogel een ei” geldt zéker niet voor de kruisbek. Tot broeden gaan ze alleen over als ze een gebied zijn binnengetrokken, waar voldoende naaldboomzaden voorhanden zijn om hun kroost groot te brengen. (zie ook: Polyandrie) De overvloed aan zaden schijnt dé prikkel te zijn, die de kruisbek doet over gaan tot broeden, het jaargetijde waarin hij zich dan bevindt, is voor hem minder van belang. Hoewel het overvloedig aanwezig zijn van zaden natuurlijk wel aan jaargetijden gerelateerd is (zie broedseizoen). Het is dus goed mogelijk dat de kruisbek midden in de winter, of in de herfst een nest met jongen heeft!

Invasie
Belangrijk aspect binnen het leven van de kruisbek vormt de grilligheid van zijn voedselaanbod. De oogst van boomzaden varieert sterk, van jaar tot jaar. Vaak wordt een grote zaadoogst gevolgd door een kleine. In de noordelijke taiga geven de sparren blijkbaar slechts een maal per 4-5 jaar een rijke zaadoogst. De zon kan tijdens de korte zomers het bos maar even opwarmen. Bomen moeten daardoor eerst geduldig energie opsparen, waarna ze, in een jaar waarin alle vooruitzichten gunstig lijken, vol uit te pakken. Daarbij kan in een jaar de zaadoogst van gebied tot gebied nog sterk wisselen. Kruisbekken kennen dat jaar geen echte herfsttrek naar het zuiden, maar zwerven zonder duidelijke richting rond in gebieden met een voldoende voedselaanbod. Valt over grote oppervlakten de oogst aan naaldboomzaden tegen, terwijl de populatie hoog is, na eerder gunstige jaren, kan een grote uittocht op gang komen; een invasie. De vogels die deel maken van zo´n invasie zijn meestal gezonde vogels, die goed in het vet zitten. Doorgaans komen kruisbekkeninvasies in de maanden mei-juni-juli. Ze mogen echter vanaf april tot december verwacht worden. De invasies houden een zuidwestelijke richting aan. De gewone zomeromzwervingen van de kruisbek houden geen duidelijke richting. In grote invasiejaren duiken de kruisbekken binnen een paar dagen op in de gebieden waar ze verwacht kunnen worden. Ze stoppen niet bij bossen die voldoende zaad dragen maar lijken snel het Europese continent te verkennen. Soms volgen kruisbekkeninvasies zich in twee achtereenvolgende jaren op, maar dit zijn dan vogels uit verschillende herkomstgebieden. Bij zeer grote invasies in schotland in 1990 werd het aantal overwinteraars geschat op 1-5 miljoen. Ongetwijfeld komt een deel van de kruisbekken om tijdens de invasies, maar een deel broedt in het jaar na de invasie in den vreemde, ver verwijderd van de Taiga. Ook leren ringvangsten dat sommige kruisbekken terugkeren naar het noordelijke naaldbos. Zuidelijke kruisbekkenpopulaties of ondersoorten zijn standvogels. Newton citeert een oud verslag over een kruisbekkeninvasie in 1593 in Engeland, waarin de fascinatie uiteindelijk werd afgesloten met: ¨They are very good meate¨. Witband- en grote kruisbekken bezoeken Nederland en België eveneens, de eerste minder dan de laatste. Hoewel de identificatie van de grote kruisbek in het veld vaak lastig is. Deze zijn weliswaar groter, de kop is hoekiger en massiever, de snavel zwaarder, maar niet iedere vogel vertoont dit even duidelijk. Waar op geled kan worden is het zwaardere kop-kop-kop geluid.

Paarvorming
De fellere zang van de man is het eerste duidelijke teken dat de paarvorming begint. In de groep wordt de plaats boven in de boom ingenomen door de vogel met de hoogste rangorde. Op hun beurt breken poppen twijgjes af, vliegen daarmee we, en dagen zo de mannetjes uit. Aanvankelijk laten ze zich door meerdere mannetjes voeren. De laatste vliegt soms op een rivaal af die op een tak zit om hem daar vanaf te botsen. Soms komt de ander hem tegemoet en begint er een luchtgevecht. In de bomen wordt de strijd gevoerd met de snavel. De kruisbekken zetten hierbij hun kuif op eenmaal gepaard houd de man zijn pop angstvallig in de gaten, doorgaans een tak hoger zittend dan haar.

 

Handgekleurde kopergravure van kruisbek uit 1785Kruisbekken in de 18e eeuw.

This beautifully hand-colored copper engraving is from the Illustrations of Curiosities of Nature by George Henrich Borowski, Doctor and Professor of Natural History at Frankfurt. It was published in one of seven volumes in Berlin by G. A. Lang 1782-1785.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wetgeving: Nederlandse fauna-wet
Peter Knops
Per 1 april 2002 is de nieuwe faunawet in werking getreden voor Nederland. Belangrijk voor de nederlandse kruisbekken- kwekers is dat nu alle onder- soorten gehouden mogen worden, inclusief de schotse kruisbek, als hij maar van de juiste ringmaat voorzien is. Frappant is wel dat het formaat ringen ruimer is geworden. Zo mag de gewone kruisbek nu gehouden worden met een maximale ringmaat van 3,5 mm terwijl dit voorheen 3.2 mm was. De grote kruisbek mag nu een ring hebben van maximaal 4,0 mm (voorheen 3,5 mm). Opzienbarend is wel dat de witbandkruisbek nu gehouden mag worden met een ring van 4,0 mm. Terwijl deze ondersoort toch kleiner van formaat is dan de gewone kruisbek. Volgens mij is hier toch een grove fout gemaakt, aangezien de soort voorheen met maximaal 3,2 mm geringd moest zijn. Het aantal, uit het wild betrokken witband- kruisbekken, dat te koop aangeboden zal worden, zal door deze wet aanzienlijk vergroot worden. Wil men zeker zijn van download in acrobat reader formaat (kan enige tijd duren !!!!)eigen kweek vogels, kan men toch beter vogels kopen met ringen van 3.2mm.

 

Kruisbekkenkweek pk 2005

paring van himalaya kruisbekken B9. foto pkSinds 16 januari had ik in een van de dubbele kweekboxen (2x2x2m) alle himalayakruisbekken ondergebracht. Ik meende dat het fokken van kruisbekken op deze manier toch mogelijk moest zijn. Ik zag het als een experiment, mooi was het om te zien hoe ze zich dan gedragen, zelf hun partner kunnen kiezen. Wat betreft verwantschap waren de vogels hierop geselecteerd.

In de himalaya-kruisbek-kolonie werd het na enkele weken steeds rumoeriger, het eerste nest met eieren liep uit op een fiasco, de jongen werden door de pop niet gevoerd en waren na 2 dagen dood. Ook het 2e nest met jongen moest het ontgelden. De 3 nakomelingen vond ik, ondanks dat ze goed gevoed werden na een dag of 4 dood op de grond. De conclusie voor mij is dat het moeilijk blijft om kruisbekken in kolonieverband te kweken.

himalayakruisbek mannetjes. foto pkMisschien is de ruimte die ze ter beschikking hebben wel te klein (2x2x2 meter) De vlucht had ik helemaal vol gehangen met dennen en sparren takken, geen doorkomen aan. Wat mij opviel was dat het niet zozeer de mannen zijn die problemen maken, maar het de poppen zijn die zich naar het leven staan. Ik constateerde dat een pop die al 4 dagen broedde op 3 eieren van het nest af was en dat de eieren koud waren. Niet zo mooi, zeker toen bleek dat er 2 van de overige 3 poppen ervoor zorgden dat de pop die daar broedde zich niet meer in de buurt van haar eigen nest durfde te vertonen. Ze werd daar telkens weer verjaagd met een verloren legsel als resultaat. Hiernaast vond ik regelmatig wel eens ergens in de kweekvlucht een kapot ei. De mannetjes waren minder agressief tegen over elkaar.



Himalaya kruisbek pop (B3 zéér intensief) kweek Ingo Haseler, foto pkTwee mannetjes, die achter hetzelfde vrouwtje aanzaten, hek ik die periode niet één keer lelijk tegen mekaar zien doen. De pop liet zich door beide mannen voeren en het hof maken. Kwam zo echter niet aan broeden toe, terwijl de overige 3 poppen dat wel deden. Een collega kweker uit Duitsland, Jürgen Radermacher, heeft het zelfde experiment ook al eens uitgevoerd. Ook hier liep de verstandhouding binnen de kolonie spaak binnen een paar weken. In het naseizoen of na de rui (himalaya kruisbekken worden het hele jaar door gekweekt) is de kans van slagen waarschijnlijk groter, de vogels zijn dan niet meer zo "vurig" aldus Jürgen. Eén van de himalaya poppen had nog steeds het jeugdkleed (gekipt op 1 augustus 2004). In de natuur is het reeds geobserveerd dat een van de oudervogels een vogel in jeugdkleed was en dat kruisbekken na 4 maanden reeds vruchtbaar zijn en tot broeden over kunnen gaan.

Grote kruisbek pop op nest , 9-2-2005. foto pkDe pop 2 keer een eitje gelegd, hier lag ongeveer 3 weken tussen. Hoewel het eerste eitje verdwenen is, het 2e ook, zit ze nog steeds op haar nest, als ware ze aan het broeden. Op de foto van het parende koppel kruisbekken is de jonge pop te zien. Naar mate het broedsizoen vorderd blijkt het jeugdkleed geheel te verdwijnen, momenteel is de jeugdbestreping alleen op de buik nog zichtbaar.
Aangezien de citroenkanaries in mei in broedstemming kwamen, besloot ik op 1 koppel na alle himalayakruisbekken over te dragen aan Marcel Kleijnen ivm ruimtegebrek. De kweekboxen zijn nu voor de citroenkanaries. Deze kweek is te volgen op www.citrinella.net Het resultaat van mijn himalayakweek in 2005 was in totaal slechts 1 jong mannetje, wel een bijzonder mooi exemplaar.



jonge grote kruisbekken box2 foto pkDe grote kruisbekken heb ik 30 januari koppelsgewijs in de kweekboxen geplaatst samen met een koppel groenlandse barmsijzen.
Zéér tevreden mag ik zijn met de resultaten van de grote kruisbekken tot nu toe. In Duitsland wist ik bij Roland Berief en Rainer Knoedelseder heel mooie grote kweek-exemplaren met te kopen met uitzonderlijk goede snavels. Vaak worden er grote kruisbekken te koop aangeboden met minder goede vorm/grootte van de snavel. Is hier in het verleden misschien eens een gewone kruisbek ingekweekt geworden? Ik weet het niet, maar ik heb goede hoop dat ik nu een mooie stam kan opbouwen met kwaliteit vogels. Met 1 koppel kweekte ik dit jaar 8 jongen, met het 2e koppel 4. Inmiddels zijn de jonge grote kruisbekken, 7 poppen en 5 mannen, in mijn binnenvlucht aan het ruien. De kweek samen met barmsijzen liep helaas niet naar wens, de barmsijzen kwamen niet toe aan nestbouw. De jonge grote kruisbekken in de vlucht verstoorden dit telken weer. Eén koppel barmsijzen, een agaat man split voor isabel en een wildvorm pop heb ik behouden de rest heb ik overgedragen aan Theo Leenders in Valkenburg aan de Geul. Met het overgeleven koppel kweekte ik 8 jongen, 4 isabel en 1 agaat pop en 3 wildvorm mannetjes.



De witbandkruisbekken heb ik vrijdag 4 maart in hun kweekboxen geplaatst. Tevreden mag ik zijn met het resultaat, zeker gezien de resultaten die mij ten gehore zijn gekomen van andere kwekers in Duitsland, Oostenrijk en België. Vier van mijn 5 koppels hebben voor nakomelingen gezorgd. Het 5e koppel had steeds onbevruchte eieren, hetgeen te wijten is aan het feit dat mannetje dat niet goed kan vliegen, waarschijnlijk door een vleugelbreuk. Dit koppel heeft wel 5 eitjes uitgebroed van andere witbanden en met succes groot gebracht. Had ik in het begin van het seizoen slechts kleine legsels van 2 of 3 eieren, in de loop van het seizoen is dit goed verbeterd en heb ik nu in de binnenvlucht 18 jonge witband-kruisbekken. Witbanden ruien later dan overige kruisbekken, vanaf september.

Grote kruisbek poppen  foto: pk

3e offene Internationale Kreuzschnabel Spezialschau in Stumm Zillertal/Tirol 2003.

Frans, Marcel & Peter op de achtergrond Michael FoottitBegin september kregen we uit Oostenrijk een uitnodiging per email van Michael Gandler voor de 3e internationale kreuzschnabel spezial schau in Stumm Oostenrijk, van 22 t/m 25 oktober 2003, georganiseerd door de vogelverein Brixlegg und umgebung. Navraag leerde dat de show interessant genoeg zou kunnen zijn om de 800 km naar Tirol rijden. Na enkele telefoontjes werd besloten de knoop door te hakken, we zouden naar Oostenrijk gaan.

In de voliere, de kruisbekkententoonstelling.Na 8 uurtjes rijden kwamen we, goedgemutst, om zaterdags om 10.00 uur s'morgens aan in het besneeuwde Stumm. De wegbewijzering leidde ons linea recta naar het tuincentrum waar de show gehouden werd. De auto's op de parkeerplaats maakten meteen duidelijk dat we met een internationaal gezelschap te maken hadden, Zwitsers, Duitsers, Belgen, Italianen, zelfs Engelsen. De kruisbek is een van de populairste kooivogels in Oostenrijk, hetgeen ook bleek toen we een kijkje gingen nemen in de tentoonstellingsruimte, meer dan 250 kruisbekken, waaronder witband-, himalaya-, grote- en gewone kruisbekken! Driekwart van de vogels waren gewone kruisbekken, maar dan wel van uitzonderlijke klasse. Forse vogels, met grote korte snavels. Ook de witband- en himalaya kruisbekken worden er goed gefokt. De beste grote kruisbekken vind men echter in Duitsland. De tentoonstellingskooien stonden opgesteld in een enorme, met dennengroen beklede, voliére, waarin ook nog eens een dozijn kruisbekken los rondvlogen. Er was een waterval aangebracht waar de vogels zich konden baden. Hiervan werd door de vogels uitgebreid gebruik gemaakt, een lust voor het oog.Rosenbinden Kreuzschnabel Präparat Hermann Lachmeier

Hiernaast was er ook nog de tentoonstelling met de overige cultuurvogels en kanaries door de organiserende vereniging en een rij vitrinekasten met daarin alle voorkomende kruisbekkensoorten in adulte en juveniel verenpak, er werden zelfs kruisbek-skeletten en mutanten tentoongesteld. Aandacht trok vooral de tentoongestelde "rosenbindenkreuzschnabel". Deze heeft het uiterlijk van een gewone kruisbek, maar heeft twee dunne, roze banden op de vleugels, ongeveer zoals de witbandkruisbek die ook heeft. Een vergelijkend DNA onderzoek heeft nog niet definitief aan kunnen tonen dat het hier om een aparte ondersoort gaat of slechts een variant, die sporadisch optreedt bij de gewone kruisbek. Zeker is, dat het geen hybride betreft tussen gewone- en witbandkruisbek. Aangetoond is wel dat de variant bij 0,1% van de gewone kruisbekken in de natuur voorkomt, al zou dit aantal in oost Europa aanzienlijk hoger liggen. (Münch 2000).

"schuhplattlerr" tijdens de feestavondEr was ook een grote ruil/verkoopklasse. Devogels die we mee hadden genomen, onze EK gewone kruisbekken en barmsijzen, waren we rap kwijt. Opvallend is ook, hoe populair de cabaretbarmsijzen hier zijn. Uiteraard hebben we ook vogels gekocht, enkele koppels himalaya- en witbandkruisbekken, ten behoeve van de kweek 2004. In een aanliggende ruimte was het mogelijk de inwendige mens te versterken met gerechten uit de streek. Hier werden tevens, vanaf 19 uur, vergezeld van livemuziek, de prijzen en oorkondes uitgereikt aan de winnaars van het jaar. Opmerkelijk is dat er ook veel vrouwen en jongeren lid zijn van de vereniging, het was mevrouw Andrea Moser die de titel van algemeen clubkampioen in de wacht sleepte. Verrast waren we dat, Willy Ebner, de penningmeester van de vereniging, een Amsterdamse was. Ze woont reeds meer 30 jaar in Oostenrijk en is tevens keurmeester tropen. Na de prijsuitreiking werd tot in de kleine uurtjes gevierd, waarbij er werd opgetreden door onder andere "schuhplattlerr". Ook het "nageln" voor een rondje bier was populair. Het was een gezellige avond, zeker voor herhaling vatbaar.

Ingang naar de show in het tuincentrum van Stumm

prijzen, preparaten etc....S'morgens konden we, door de overgang naar de wintertijd, een uurtje langer slapen, hetgeen we na die lange zaterdag goed konden gebruiken. Op zondagmorgen zijn we bij kwekers thuis een kijkje gaan nemen, waardevolle tips konden we mee naar huis nemen. Tevens had men nog 3 zakken vol met sparrenkegels voor ons geplukt, dit jaar hangen de naaldbomen overvol met zaad, een paradijs voor kruisbekken. Na afscheid te hebben genomen van de Oostenrijkse vrienden, eerst werden we nog geïnterviewd door de radiozender "antenne Tirol", vertrokken we s'middags weer richting Nederland, met in de bagage mooie kweekvogels, sparrenkegels en een pak kweektips. Onze dank gaat uit naar Michael gandler en Friedl Wasserer en Mathias Rauch u.a.

Volgend jaar zal de 4e kreuzschnabel spezial schau (voor de liefhebber echt een must) weer in dezelfde periode georganiseerd worden, van 29 t/m 31 oktober 2004. Inbrengen vogels op 27 oktober, keuring op 28 oktober. Natuurlijk zullen we weer van de partij zijn. Misschien wel de hele week, het hotel, Gasthoff Rissbacherhoff was in ieder geval van alle gemakken voorzien. Blik op de wedsrijdklasse.

Meer dan 250 kruisbekken.



Mutatie witband kruisbek.
Peter Knops
Mutaties van kruisbekken zijn zeldzaam. In 1994 kweekte de heer Alfred Lamberti een mutant gewone kruisbek man Deze had rode ogen en een kaneelkleurig verenkleed. In 1995 lukte het hem niet meer mutanten te kweken met deze vogel. De 4 nakomelingen van dat jaar bleken wildkleur te zijn, 3 mannetjes en een pop. Met wisselend succes heeft de heer Lamberti de afgelopen 9 jaar gekweekt met de mutatie, die volgens hem een topaas zou zijn. Zekerheid hier omtrent heeft hij niet, de vererving is wel recessief. Dit jaar kweekt hij met 4 koppels, waarbij een mutant en enkele split vogels.
Zoals reeds enkele weken te zien was op loxia.net is men er ook in geslaagd een mutatie witbandkruisbek te kweken. De mutatie viel in 2002 bij een bevriend kweker, Ingo Haseler. Ook hier is er sprake van een kaneelkleurige mutatie van de zwarte bevedering en rode ogen. Zou het dezelfde mutatie zijn?


 

 


"Die Kreuzschnäbel" door Hans Münch
.

Hans Münch (geb. 1914) heeft gedurende 50 jaar onderzoek gedaan naar kruisbekken, maar omdat hij in de voormalige DDR woonde was hij niet in de gelegenheid zijn bevindingen te publiceren zoals hij wilde. Hij wilde zijn bevindingen over de kruisbekken graag in boekvorm gieten, maar niet als een beknopte versie zoals de staatsdrukkerij hem voorsloeg. Hierdoor duurde het tot 2003, maar nu is het boek er! Diepgaand word ingegaan op de verschillen die er zijn tussen de kruisbekken-soorten. Bestaande literatuur is kritisch bekeken en met de eigen onderzoeken van de auteur in verband gebracht. Dit heeft geleid tot geheel nieuwe inzichten en conclusies. Het hoofdstuk morphologie en anatomie bijvoorbeeld is zeer gedetailleerd, bv de snavelconstructie, de spier a-symetrie van de nekspieren, het afwijkend maag-darmstelsel, het van vergelijkbare vogels afwijkende beenderstelsel, zelfs één poot blijkt altijd korter te zijn. Het boek zit vol met verwijzingen naar andere wetenschappers. Tevens is er een hoofdstuk over de kruisbek als kooivogel. Het blijkt dat de kruisbek wel een leeftijd kan halen van 18 jaar. Een kruisbek in Innsbrück (Oostenrijk) gehouden zou zelfs 36 jaar oud zijn geworden. Het boek, zoals het er nu ligt, vertegenwoordigd de laatste stand van kennis over het geslacht "loxia", het leest vlot, is geschreven in de duitse taal, 312 pagina's, met 67 afbeeldingen. Voor de prijs van 29,95 euro inclusief verzendkosten is de eerste druk van dit boek te bestellen bij: Peter Knops. Helaas uitverkocht!! pk

 

himalayanest box 9. foto pk"Schnabö heil" door Walter RiederNo enkele exemplaren te koop
"Schnabö heil" is een welkomsgroet die gebruikelijk is onder vogelvangers in Oostenrijk. In tegenstelling tot andere landen is het in het Oostenrijkse Salzkammergut nog steeds toegestaan om vogels te vangen. In overeenstemming met de wet "Erhaltung und Pflege der Natur" van 19 mei 1982 is het voor vogelvangers nog stééds mogelijk een vergunning te bemachtigen om kruisbekken, goudvinken, putters en sijsjes te vangen. Oorspronkelijk was de vogelvang een middel voor de lagere inkomensklasse om aan voedsel te komen. Voor de "hoog-adel" was er de "hohen jagd" en voor de "laag-adel" de "niedere jagd". Voor het volk bleef alleen de vogelvangst over, hoewel hiervoor ook nog een regelgeving was. In het boek worden de vangmethoden en de geschiedenis van de vogelvangst door Walter Rieder uitvoerig toegelicht.
himalayakruisbek op vrij gebouwd nest in box9. foto pk
Zo dient de vergunning tegenwoordig ieder jaar opnieuw aangevraagd te worden. Natuurlijk zijn er voorwaarden gesteld waaraan de vanger dient te voldoen. Er mag alleen in de periode van 15 september tot 30 november gevangen worden. Ook zijn er restricties voor het aantal vogels dat gevangen mag worden (per jaar 1 vogel van elke toegestane soort) en vangmethoden (slagnet bijvoorbeeld mag maar 1x1 meter zijn). Tevens dienen de gevangen vogels vóór 10 april weer vrij gelaten te worden!!
De gevangen vogels worden tentoongesteld door de "vogelfreunde vereinen" tijdens een vogelshow. Meer dan 30 verenigingen stellen zich in het boek voor. Na de show moeten de vogels vaak met pijn in het hart vrijgelaten worden.

Tevens worden in het boek gegevens van vogels die in Oostenrijk zijn gevangen en beringd zijn door vogel-ringstations gepubliceerd. Zo geeft men een schematisch overzicht weer waar de gevangen vogels vandaan komen.

Het boek is voorzien van veel prachtige kleurenfoto's en enkele zeer oude nostalgische zwart-wit foto's en is 132 pagina's groot.

loxia curvirostra rubrifasciata  foto Kees van EerdeKruisbek onderzoek in het Dwingelderveld door Kees van Eerde.

In het Nationale park Dwingelderveld, dat eigendom is van Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en een aantal particulieren, worden jaarlijks broedvogels geïnventariseerd.
In een deel van dit rapport wordt aandacht geschonken aan vogelringonderzoek, dat verricht wordt door Ringgroep MENORK. Door een vogel te ringen krijgt hij of zij een uniek merkteken en vanaf dat moment wordt de vogel een voor ons herkenbaar individu. Dit vormt een belangrijke basis voor verder onderzoek. Als u meer wilt weten over het hoe en waarom van het ringen van vogels kunt u de website van de Nederlandse Ringcentrale raadplegen. Lees meer over de verkregen gegevens over de tapuit, roodborsttapuit en kruisbek.
Graag wil ik Kees bij deze bedanken voor het vrijgeven op loxia.net van bijgaande foto's waarop een loxia curvirostra rubrifasciata te zien is.

Ga naar de website van Kees van Eerde


loxia curvirostra rubrifasciata  foto Kees van EerdeHet onderzoek 2004/2005

Vanaf begin juni ontstond er opnieuw een mogelijkheid om onderzoek te doen naar de verschillende vocale kruisbektypen en dit te combineren met hun biometrie. Dit was een onverwachte kans, want normaal gesproken doet zich om de drie jaar een dip in de naaldboom cyclus voor en werden ze pas volgend jaar weer verwacht. Kruisbekken laten zich kennelijk niet zo maar “vangen”. Fantastische soort toch! Deze opleving zal waarschijnlijk te maken hebben met de herkomst van de vogels. Mogelijk hebben ze een andere oorsprong dan vogels uit de vorige invasie. Uit Russische informatie bleek dat er dit jaar weinig kruisbekken hebben gebroed in de regio rond Sint-Petersburg maar dat er ten oosten daarvan (ten noordoosten van Moskou) juist veel broedvogels waren.

loxia curvirostra rubrifasciata  foto Kees van Eerde

Leuk en spannend om hun aanwezigheid dit seizoen weer te volgen. Misschien zijn nieuwe types te verwachten of verschilt hun biometrie met de 2002-vogels.Voor kruisbekken lijkt het momenteel tafeltje dekje, want vrijwel alle naaldboomsoorten bulken van de kegels. De weersomstandigheden in het voorjaar tijdens de bestuiving en een opleving van de kegelontwikkeling (als gevolg van het productieve dieptepunt vorig jaar?) lijken samen te .......lees verder

 


Kruisbek in de bergen.

gewone kruisbekDe kruisbek behoort tot de meest geliefde vogelsoorten die sinds mensenheugenis door bewoners in de Oostenrijkse Alpen en Duitse Harz worden gehouden. Dit vooral vanwege hun zang, aanhankelijkheid en eenvoudige verzorging, waarnaast het volksgeloof ook nog een rol speelde. Met name in legenden, vertellingen en gebruiken, zoals bij volksreligie en de genezing van ziekten is de betekenis aanzienlijk. In de 19e eeuwse gedichten wordt de kruisbek meer dan eens als onderwerp gebruikt, waarbij in theologische vertellingen de kruisbek vaak als geheiligde vogel wordt voorgesteld. De kruisbek, die traditioneel gehouden wordt in kooien van 21cm lang, 21 cm hoog en 15 cm breed, gold als de gevederde beschermheilige van het huis en haar bewoners, en zou beschermen tegen brand en ander onheil. Reeds ten tijde van de romeinen werd beschreven dat in geval van geelzucht, deze ziekte overdragen zou kunnen worden aan de levende kruisbek(Arndt 1925). Bekend is dat men de heilzame werking van de kruisbek op allerlei wijzen probeerde te benutten. In een kooi geplaatst naast het bed van een zieke, zou deze, zo geloofde men, het lijden van de zieke kunnen overnemen. Naar rechts gebogen bovensnavels zouden mannen, naar links gebogen bovensnavels zouden vrouwen verlossen van ziekte (Günther 1770). Beschreven is ook dat het water, waaraan een kruisbek gedronken heeft, geneeskracht heeft (Bechstein 1800). Opmerkelijk is ook dat de vogel niet altijd als geluksbrenger gezien werd. In gebieden waar de kruisbek geen standvogel was, maar soms wel als invasie-vogel in grote getallen voorkwam, werd hij vaak gezien als ongeluks-brenger. Hier werd hij dan ook vaak pest- of oorlogsprofeet genoemd.
Kruisbekken houden is eenvoudig, ze zijn niet veeleisend. Van oudsher werden de vogels in leven gehouden op hennep- en zonnenbloemzaad. Hiernaast werden natuurlijk naaldboomappels bijgevoerd. Nog steeds wordt dit voedsel als basis verstrekt, al is het zaadaanbod thans natuurlijk gevarieerder. Dat kruisbekken oud kunnen worden blijkt uit publikaties in oude vaktijdschriften, waarbij in een geval sprake is van een kruisbek van 20 jaar en in een ander geval, in Innsbruck, zelfs van 36 jaar! In Tirol zijn 10 jarige kruisbekken niet zelden. Uit een statistisch onderzoek in Duitsland, naar de levensduur van 300 onderzochte kruisbekken, bleek dat ze gemiddeld 6,8 jaar oud waren geworden, met een maximum van 18 jaar voor een gewone kruisbek (Münch 1980).
Tot in het eerste kwart van de vorige eeuw werden kruisbekken niet alleen gevangen voor het gebruik als kooivogel, maar ook voor het vlees. Het vlees schijnt zeer mals, goed verteerbaar en niet vet te zijn. Het gebruik van de kruisbek in de keuken werd niet toegepast uit "noodzaak", maar de kruisbek werd hoofdzakelijk als lekkernij gegeten door "notabelen". Overigens werden voor het houden van de kruisbek als kooivogel hiervoor praktisch altijd de mannetjes gebruikt. Van nature is er een overschot aan mannetjes waardoor men kan zeggen dat de vogelstand minder aangetast werd (Münch 1980). De jaarlijkse vangst van kruisbekken werd tussen 1922 en 1948 in Duitsland geregistreerd door de "waldvogelsammelstelle" en bedroeg jaarlijks tussen de 2000 en 5000 exemplaren. Een terugloop van het aantal kruisbekken is ondanks deze vangsten niet waargenomen. Thans is de vangst, zoals in de meeste europese landen, natuurlijk verboden. In tegenstelling tot andere landen is het in het Oostenrijkse Salzkammergut wel nog steeds toegestaan om vogels te vangen. In overeenstemming mejonge kruisbekken in de vluchtt de wet "Erhaltung und Pflege der Natur" van 19 mei 1982 is het voor vogelvangers nog stééds mogelijk een vergunning te bemachtigen om kruisbekken, goudvinken, putters en sijsjes te vangen. Oorspronkelijk was de vogelvang in Tirol een middel voor de lagere inkomensklasse om aan voedsel te komen. Voor de "hoog-adel" was er de "hohen jagd" en voor de "laag-adel" de "niedere jagd". Voor het volk bleef alleen de vogelvangst over, hoewel hiervoor ook nog een regelgeving van toepassing was. Net als toen dient de vergunning tegenwoordig ook ieder jaar opnieuw aangevraagd te worden. Natuurlijk zijn er ook nu voorwaarden gesteld waaraan de vanger dient te voldoen. Zo mag er alleen in de periode van 15 september tot 30 november gevangen worden. Ook zijn er restricties voor het aantal vogels dat gevangen mag worden (per jaar 1 vogel van elke toegestane soort) en vangmethoden (slagnet bijvoorbeeld mag maar 1x1 meter zijn). De gevangen vogels worden dan tentoongesteld door de "vogelfreunde vereinen" van het Saltzkammergut, tijdens een vogelshow. Na de "schau", echter uiterlijk vóór 10 april, moeten gevangen de vogels, vaak met pijn in het hart, weer vrijgelaten worden!!
Peter Knops

ruisbek, toch niet zo eenvoudig als ik dacht.

Kruisbek: toch niet zo eenvoudig als ik dacht.

door: Piet de Dreu.

jonge witbandkruisbek 16 dagen oud (B8) foto pk Als ik met de kweek van voor mij een nieuwe soort vogels begin probeer ik zoveel mogelijk informatie te verzamelen over huisvesting, verzorging, gedrag en voeding. Kruisbekken zouden makkelijke vogels zijn die geen eivoer of levend voer nodig voor groot brengen van de jongen. De man hoeft niet uit gevangen te worden en als je een koppel hebt dat klikt dan kweek je zo 7 jongen per seizoen. het enige nadeel van kruisbekken is hun knaag lust aan een houten volière, die ze in een seizoen kompleet kunnen vernielen. Maar tocht liep het allemaal anders dan ik mij had voor gesteld zo als U in mijn kweek verslag kunt lezen.
Begin januari kon ik mijn koppel gewone kruisbekken ophalen. Mijn nieuwe volières van de firma Bergmans uit Best waren toen nog niet geheel klaar, zodat de vogels nog enige tijd elk in een tentoonstellingskooi door moesten brengen. De vogels waren bijzonder rustig en knaagden totaal niet aan hun kooien. De kooien werden zo geplaatst dat de vogels elkaar konden zien.
Toen de vogels in hun nieuwe volière van 2.2.m diep, 0.85m breed en 2m hoog geplaatst werden zat de man binnen het uur de pop te voeren, dus het koppel klikte. Op verschillende plaatsen in de volière dennentakken aangebracht, zodat de vogels wat te knagen hadden. Maar knagen deden ze er niet aan, wel werden de dennenappels die ze volop ter beschikking hadden finaal gesloopt om het aanwezige zaad er uit te halen en op te eten. De zaadmengeling werd aangevuld met alepo zaden, zodat de mengeling uit kruisbekmengeling van Blatner met 50% alepozaden bestond. Ook werd eivoer verstrekt met wat diepvries pinky's en meelwormen. Hier werd door de vogels maar weinig van opgenomen. Na zo'n twee weken werd er een nestgelegenheid in de vorm van een kapelletje, gecamoufleerd met kunstgroen, in de volière opgehangen. Nestmateriaal sisal fibre, in de volgende samenstelling verstrekt: jute, sisal, kokosvezel en watten. Het kapelletje was niet naar de pop haar zin, of het hing niet op de juiste plaats. Zij had haar keuze gemaakt voor een nestplaats achter in de volière tussen de dennentakken. Dus werd ook hier een nestgelegenheid gemaakt. Ook dit beviel de pop niet, dus werd er niet meer met nestmateriaal gesleept. Na ongeveer een week werd toch het kapelletje in dank aanvaard en werd in twee dagen een nest gebouwd

.Ga naar Piet de Dreu's website

Na vijf dagen werd op zaterdag 23 februari het eerste ei gelegd. De pop sliep de vrijdagavond voor het eerst in het nest met de man op zijn vaste plaats, tien centimeter naast het nest. Het begin was er. Er volgden nog drie eieren. De kruisbek legt zijn eieren vrij laat in de morgen, ongeveer rond tien uur. Mijn vrouw zegt van de kruisbekken, dat het echte langslapers zijn. Als de andere vogels al actief zijn is er in de volière van de kruisbekken nog geen leven te bekennen. Donderdag 28 februari was de pop even van het nest, dus vlug het schouwlampje gehaald om te kijken of er al iets van bevruchte eieren te zien was, en ja hoor, bij twee eieren was duidelijk te zien dat ze bevrucht zijn. Dus deze pop broedt toch al vanaf haar eerste ei. Maandag morgen 4 maart liep ik zoals altijd langs de volières om te kijken of alles in orde is, de kruisbekpop zat niet op haar nest, dit vond ik vreemd maar ja dit kan toeval zijn. Echter na een uur zat ze nog steeds niet op haar nest. Ik de volière in en wat bleek, tot mijn schrik alle eieren weg. Wat hiervan de oorzaak was weet ik niet, de man was vrij rustig, zong zijn lied en voerde de pop op het nest, dus alles leek goed en makkelijk te gaan. Diverse kwekers van kruisbekken gebeld, maar niemand kende dit probleem met de kruisbek. In een oude uitgave van de K.E.V. kwam ik in een artikel dit verschijnsel wel tegen, al werd hier jammer genoeg niet verder op ingegaan. Op de internet site van Peter Knops www. loxia.net vond ik wel informatie over problemen die soms spelen bij de kruisbekken kweek. Deze site is ook voor niet kwekers van kruisbekken interessant er staan mooie foto's op en informatie over bomen waar de verschillende kruisbek soorten in leven. Wat mijn opvalt is, dat de pop ondanks dat ze geen eieren meer heeft toch weer gewoon op het nest zit, net of ze zit te broeden. Misschien komen er wel vlug nieuwe eieren en moest daarom het nest schoon zijn. Als er opnieuw een nest en eieren komen, hoop ik op een beter resultaat.

Zaterdag 9 maart de kruisbekken wat nestmateriaal gegeven. De pop ging direct het oude nest opknappen. Even later zaten ze op ongeveer twintig centimeter van elkaar wat ik noem te "tetteren". Ze zitten dan met een wat geopende snavel tegenover of naast elkaar en maken dan een apart geluid. Hierna volgt meestal een paring, zo ook dit maal. 15 maart vliegt de pop volop met nestmateriaal en bouwt in een snel tempo een nieuw nest op de plaats tussen de dennentakken, waar ze ook haar eerste nestelpoging ondernam en waar ik toen een kunstnest heb vastgemaakt. In minder dan twee dagen is het nest klaar. De man zingt weer bijna de hele dag. 17 maart is het nest helemaal klaar. Tegen dat het donker wordt zitten de vogels ruim een uur te tetteren. Volgens mijn vrouw zijn ze dan aan het overleggen of er wel of geen gezinsuitbreiding komt, ik hoop dat ze voor het eerste kiezen. In ieder geval zal er morgenochtend nog geen ei zijn, de pop slaapt nog samen met de man in de dennentakken. De vorige keer is mij opgevallen, dat de pop de avond voor ze een ei moet leggen in het nest gaat slapen ondanks dat ze pas laat in de morgen legt. 19 maart; vanavond slaapt de pop in het nest en inderdaad is er 20 maart een ei. De man zingt uit volle borst, dat zal wel overgaan als hij wist wat hem te wachten staat. Het ei heb ik geraapt en vervangen door een onbevrucht ei van de huismussen. Er zijn kruisbekkwekers, die het ei vervangen door een kanarie kunsteitje, maar ik vind dit eitje te klein en wil het risico niet nemen, dat de pop om die reden het nest in de steek laat.
Het toeval wil dat ik deze middag samen met onze voorzitter Frans Pijnen naar Andre Verhulst in Hulste België ga om foto's te maken van jonge kruisbekken in het nest. Een ideale gelegenheid om met een ervaren kweker eens uitgebreid over de kweek met de kruisbek te praten. Het eerste dat bij Andre opvalt wanneer je de volière van de kruisbekken binnenkomt, is dat hij zijn nestkorfjes op ruim twee meter hoogte hangt. Volgens hem wonen de kruisbekken dan makkelijker (Wonen is nest maken). Dit is misschien een goede tip voor kwekers die hun kruisbekken niet tot nestbouw krijgen. De jonge kruisbekken zitten nog in het nest, terwijl de pop in de andere hoek een nieuw nest heeft gemaakt. Zoals het er nu uitziet zal ze dondermorgen haar eerste ei leggen. De pop zit bijna constant in het nest, terwijl de man de verzorging van de jongen volledig op zijn schouders neemt. De voeding die hij de vogels verstrekt verschilt niet met mijn voeding, wel heeft hij een zaadmengeling sparrenzaad dat uit drie soorten bestaat, die hij speciaal voor deze vogels in Duitsland haalt, waarvan ik dan ook direct een paar kilogram van koop. Op de vraag of hij de eieren raapt, antwoordt hij, dat je nooit aan de eieren van de kruisbek moet komen. Hij schouwt de eieren één keer en wel na acht dagen. Met mannen die eieren kapot maken heeft hij nog nooit te maken gehad. Eens te meer blijkt weer zoveel kwekers, zoveel meningen. Gaat het goed, verander dan niets. Gaat het niet goed, praat dan met andere kwekers en kijk wat je kunt veranderen om wel tot resultaat te komen.
Zaterdag 23 maart om tien uur had de pop geen ei gelegd, dus dit legsel zou dan uit drie eieren bestaan. Om halfelf kwam Frans om foto's te maken van de kruisbekken en de haakbekken. De kruisbekman poseert als een volleerd fotomodel. De broedende pop is bijna niet zichtbaar als je voor de volière staat. Dus zeg ik ga de volière maar in om foto's te maken van de broedende pop, ze komt er echt niet af. Frans twijfelde, maar na enig aandringen van mijn kant deed hij het toch en kon hij foto's maken op minder dan een halve meter bij de pop vandaan. De pop maakte tijdens de fotosessie geen aanstalten om het nest te verlaten. Toen ik tegen de avond de pop haar eigen eieren terug ging geven, was ik verbaasd toen ik zag dat de pop toch nog een vierde ei gelegd had. De man werd in een kleine tentoonstellingskooi geplaatst, zodat hij dit keer het legsel niet kon vernielen. Hij heeft het in deze kooi duidelijk niet naar zijn zin. Zelfs wanneer het donker is, blijft hij aan het vliegen en klauteren, wat zeer ongewoon is. Normaal slaapt hij al voordat het echt donker is. Zo wil ik hem niet de nacht in laten gaan. Ik heb al eens een vogel aan stress verloren en dit wil ik met de kruisbek zeker voorkomen. Ik ben dan ook voorzichtig de volière ingegaan om hem daar weg te halen en heb hem in een grote kistkooi geplaatst, die ik met wat groen heb aangekleed. In deze kooi was hij direct een stuk rustiger, zo heb ik hem teruggeplaatst in de volière bij de pop, ze kunnen in ieder geval dan elkaar zien en horen als het licht is. De pop komt van het nest om te eten, wat voor mij een geruststelling is. 28 maart tegen de avond de eieren geschouwd en alle vier de eieren zijn bevrucht. Als alles goed gaat zullen er vrijdag jongen zijn. De pop verdedigd haar eieren fel, ze pikt in het schouwlampje en in mijn vingers. Ondanks de snavelvorm verwond ze mijn niet en zodra ik klaar ben met schouwen zit ze weer op de eieren of er niets gebeurt is. Wanneer de jongen er zijn mag de man er weer bij. De man heeft er geen problemen meer mee, dat hij in de tentoonstellingskooi zit, hij zingt zelfs regelmatig zijn lied. Wanneer de pop van het nest komt om te eten, gaat hij tetteren, zeker ten teken dat hij het daar niet mee eens is.
Vrijdag 5 april, de dag dat de eieren uit moeten komen bij de nestcontrole om twaalf uur is er één jong, om vijf uur twee. Dus ondanks dat ik de eieren gerapt heb komen ze niet tegelijk uit. Voor het eerste jong heb ik wel een verklaring; dit zal het vierde en laatste ei zijn wat de pop die zaterdag heeft gelegd. Dit ei is langer bebroed dan de andere eieren. De man erbij gelaten, dit verliep zonder problemen. Hij ging even kijken bij de pop en daarna zaad uit een dennenappel halen om dit aan de pop te voeren. Zaterdag 6 april moest ik vroeg de deur uit voor de ledenvergadering te Houten. Toch om tien over zeven even gekeken hoe het ervoor stond. Het derde jong was net uit zijn ei, de schaal lag nog in het nest. Ik had er hoop en moed op dat ook het vierde ei uit gekomen zou zijn als ik weer thuis kwam. Tussen de middag toch gauw even naar huis bellen of alles nog goed gaat, je weet immers maar nooit. Gelukkig gedraagt de man zich als een voorbeeldige vader en voerde de pop regelmatig. Om kwart over vijf weer thuis, was het eerste werk kijken hoe het met de kruisbekken gaat en of het vierde ei uitgekomen is. Dit is niet het geval, het ei is wel aangepikt, maar jong heeft niet de kracht gehad om uit het ei te komen. Bij het oudste jong is goed te zien dat het gevoerd is. De vogels hebben de beschikking over dennenzaad, de kruisbekmengeling, eivoer met kiemzaad en een flinke hoeveelheid dennenappels, waar de man constant mee in de weer is. Hij haalt het zaad eruit en het is dan ook aannemelijk dat de jongen in hoofdzaak wordt gevoerd met deze zaden. Vandaag zie ik de pop duidelijk zoeken naar voedsel voor de jongen ondanks het grote scala wat ik ze voor zet is het duidelijk niet naar haar zin, ze krijgen extra dennenzaad, eivoer, kiemzaad, weekzaad, meelwormen, Pinky's en bufflo wormen toch blijft de pop zoeken naar beter voedsel. Konden vogels maar praten dit zou een hoop problemen oplossen.
10 april: de eerste jongen geringd met ring 3.2mm. De jongen worden minder goed gevoerd, misschien toch de man er weer af. Hij voert weinig mee.
11 april: alle jongen zijn geringd met ringen die voorzien zijn van een stukje ventielslang. De jongen worden beter gevoerd.
12 april: de jongen worden goed gevoerd. Ik heb voor de eerste keer gezien dat de man ook voert. Er worden grote hoeveelheden dennenappels aan de vogels gegeven, waar ze de jongen mee voeren.
14 april: 's morgens bij de nestcontrole schrik. Één jong, volgens mij het tweede, dood en de andere zwak en niet gevoerd. Ten einde raad de voerspuit gehanteerd. Één jong sperde nog en slikte zelf het eten weg. Het andere jong, het kleinste, sperde niet, dus direct in de krop. De pop gaat terug op het nest. De man er maar weer afgevangen, misschien is hij toch de storende factor. Bij de nestcontrole om halfvijf is het kleinste jong zoals verwacht dood. Het andere jong was weer gevoerd. Misschien redt die het dan toch nog. Zaterdagmorgen nog foto's genomen van de drie jongen, alles leek toen nog goed te gaan, maar dat kan vlug veranderen. Zondagavond nog maar één jong. Maandag morgen was ook het laatste jong dood, dit had ik wel verwacht de pop zat toen het donker werd niet op het nest maar sliep weer op haar oude plaats in de dennentakken. De oorzaak waarom ze de jongen niet meer voert ligt volgens mij bij het feit dat ze eigenlijk te vroeg in broedconditie komt , en de man het voeren van de jongen niet overneemt .Dinsdag zie ik haar al weer met nest materiaal slepen. Wanneer er nog een nest komt gaat de man er af en blijft eraf tot dat de jongen groot genoeg zijn. Zoals ik al aangaf in de titel van mijn verhaal is het niet zo eenvoudig als verteld word om jonge kruisbekken op stok te krijgen, maar de aan houder wint, eerste nest enkel bevruchte eieren, 2e nest jongen van 11 dagen oud dus het laatste nest moet lukken. Donderdag 18 april het nieuwe nest is klaar dit maal werd er weer gebruik gemaakt van het kapeltje. Al het nest materiaal uit het oude nest word is weer gebruikt om het nieuwe nest te maken, wat dit betreft zijn het zuinige vogels ze passen zich zeker aan naar de provincie waar ze in de volière zitten dit maal heb ik ze ook extra watten gegeven daarmee heeft de pop het nest prachtig afgewerkt aan het nest zal het deze keer zeker niet liggen als het weer niet lukt. Zondag morgen 21 april het 1e ei zaterdag had de pop al een groot deel van de dag op het nest door gebracht het teken dat er nu spoedig een ei zal zijn. In tegen stelling tot de vorige keren bracht de pop dit maal niet de nacht door op het nest maar sliep ze op haar vast slaap plaats, ik had er dan ook niet op gerekend dat er zondag morgen een ei zou zijn en zeker niet zo vroeg, want om 8.30 had ze al gelegd terwijl ze in wintertijd pas rond 10.00 legde. Het ei is weer vervangen door een onbevrucht mussen ei als het legsel compleet is krijgt ze haar eieren terug en gaat de man weer in de grote tentoonstellings kooi. Woensdag heeft ze haar 3 eieren terug gehad ze heeft net als voorgaande keren 4 eieren, de man heb ik er af gevangen. Als je kijkt hoe rustig de man zich gedraagt dan maak ik er toch best zonde van hem weer in de tentoonstellings kooi te doen, maar ik durf het risico dat hij de misschien de eieren weer vernielt toch niet te nemen. Wanneer ik donderdag morgen nest controle doe blijkt dat de pop deze keer 5 eieren gelegd heeft, ze heeft duidelijk nog niets aan conditie in geleverd deze keer dus kans op 5 jongen het moet dan toch wel erg raar lopen als ik er dit keer er weer geen van over hou.
6mei aan het gedrag van de pop te zien moeten er jongen zijn, bij nest controle blijken er 2 jongen te zijn en een jong zit nog half in de dop en is dood aan de andere 2 eieren is nog niets te zien. Morgenochtend kijken of die eieren als nog uitgekomen zijn. De laatste 2 de eieren zijn uitgekomen 1 jong leeft het andere ligt nog in dezelfde houding als het in het ei lag en is dood schijnbaar heeft het zoveel kracht gekost uit het ei te komen dat het jong zich daarna niet kon ontvouwen. De pop voert de jongen regelmatig van uit een aangrenzende volière heb ik hier een goed zicht op zonder de pop te storen. Het is een wonderbaarlijk gezicht hoe een vogel met zo'n vreemd gevormde snavel zijn jongen voert. Ook gaat de pop regelmatig even op de T.T. kooi van de man zitten en dan tetteren ze even zeker vertelen er zijn jongen en het gaat goed. De jongen worden weer minder gevoerd de pop zoekt weer alles af naar wat weet ik niet waarschijnlijk zoekt ze toch wat van insecten, ze krijgt alles voor geschoteld pinky's, meelwormen, buflo wormen maar niets neemt ze daar van op. Ten einde raad vanmiddag verse dennen takken met knoppen gaan halen en de man maar weer los gelaten, in deze taken zitten ook de nodige insecten de jongen worden nu weer redelijk gevoerd de man heb ik nog niet zien voeren. Hij rommelt wat in de takken en eet zijn dennenappels uit het vuistje, als hij morgen nog niet helpt voeren gaat hij weer terug in zijn T.T. Kooi. De jongen worden beter gevoerd alleen het laatst uitgekomen jong niet dit heb ik maar over gelegd naar een koppel groenlingen die 2 jonge van ongeveer dezelfde grote heeft, in de hoop dat ze het kruisbek jong mee voeren. De man kruisbek gaat nu regelmatig de pop op het nest voeren. Het jong onder de groenlingen heeft het niet gered het was al te veel verzwakt, de andere 2 jongen worden nu zeer goed gevoerd dus alle in spanningen zijn niet voor niets geweest zo het zich nu laat aanzien. Vandaag 13 mei de 2jongen geringd de ringen zijn ook nu weer voorzien van eens stukje ventielslang.17 mei de jonge groeien nog steeds goed ze beginnen veren te krijgen, iets wat de vorige keer op deze leeftijd bij de jongen nog niet te zien was. De voeding blijft toch de nodige aandacht vragen, ze hebben alles wat maar te krijgen gehad van pijnboom pitten tot wasmotten ze kijken er niet naar om het liefst voeren ze met dennen zaden die ze zelf uit de dennenappels halen.
Van avond bij de laatste ronde langs de volière zie ik dat de pop op haar oude slaap plaats in de takken zit, het word dus de eerste nacht dat ze de jongen niet warm houd. Vorige keer ben ik toen de jongen verspeeld deze nacht slaap ik onrustig s'morgens direct naar de volière, gelukkig de pop zit de jongen te voeren de man voert nog steeds niet mee mocht het voeren nu gestaakt worden zal het geen probleem zijn de jongen verder met de hand groot brengen. Wanneer ik nu mijn vinger boven de snavels hou speren ze direct de keel ziet er mooi rood uit ten teken dat de jongen goed gezond zijn. 28 mei beide jongen zijn vandaag uitgevolgen, ze zaten al enkele dagen op de rand van het nest maar durfden de grote sprong nog niet te wagen maar nu is het dan zover, het zijn mooie goed in de veren zitten de jongen die in formaat weinig voor hun ouders onderdoen. Wanneer de jongen stil in de dennen takken zitten vallen ze door hun gestreepte pakje totaal niet op en moet je goed kijken om ze te kunnen zien. De jongen beginnen nu te kleuren en ook zelfstandig wat te eten hun voorkeur gaat daar bij uit naar de wat fijnere zachte zaden. Een eigenschap hebben ze ook al van hun ouders over genomen het prutsen aan dennen appels ik zie ze hier regelmatig mee rond slepen, ik geloof niet dat de pop nog aan een nieuw nest begint ik vind dit ook geen probleem zo alles er nu uit ziet heb ik 2 jongen heb waarmee ik tentoonstelling kan spelen, en zo mensen er toe kan bewegen ook met deze prachtige en rustige vogels te gaan kweken. Een nadeel vind ik wel dat je deze vogels die 16 cm groot zijn in een klein kist kooi moet showen, terwijl een grote goudvink die minimaal 17 cm groot moet zijn in een universeel kooi geshowd mag worden
Al is de kweek niet zo makkelijk verlopen heb ik toch veel plezier beleefd aan de kweek en het houden van deze vogels. nu nog sta ik vaak voor de volière naar de kruisbekken te kijken zijn altijd bezig of met dennen appels of met het klauwteren door de volière ik hoop volgend seizoen meer jongen op stok te krijgen. Dat het groot brengen niet goed lukte wijt ik ook aan me zelf misschien ben ik wel eens te goed voor mijn vogels om altijd alle soorten voedsel aan te slepen. Er zijn immers kwekers die jonge kruisbekken op stok krijgen met enkel alepo zaden. De alepo zaden voerde de pop wel toen de jongen ouder waren maar de eerste dagen enkel zaad uit de dennenappels. Voor het volgende kweek seizoen zal ik dan ook een grote voorraad dennen appels aanleggen.

 

blik in Box 8. foto pk

witbandkruisbekken op het nest box8. foto pk

witbandjong, een halve dag oud. Lichte ei is onbevrucht, blauwe ei is wel bevrucht. foto pk

jonge witbandjes , 1e jong net gekipt, 2e jong 1 dag oud. foto pk

box 8 foto pk

box 8 foto pk

De taal van de kruisbek.

Eind vorig jaar waren Magnus Robb en Pim Edelaar te gast bij ons om geluidsopnamen te maken van onze kruisbekken. Ze maakten de bovenstaande opnames van de himalaya en witbandkruisbekken. Meer geluidsopnamen van Magnus kan men terug vinden op de speciale uitgave van Dutch Birding, over kruisbekgeluiden, via deze link:

Introduction to vocalizations of crossbills in north-western Europe.

Klik hier voor de speciale uitgave over kruisbekgeluiden van dutch birding.Magnus Robb en Pim Edelaarmaken geluidsopnamenDit nummer van Dutch Birding bevat een uitgebreid artikel door Magnus Robb over geluiden van kruisbekken. In het artikel, dat vergezeld gaat van een CD, worden zes vocale typen Kruisbek Loxia curvirostra en de geluiden van Witbandkruisbek L leucoptera bifasciata, Schotse Kruisbek L scotica en Grote Kruisbek L pytyopsittacus met elkaar vergeleken. Eerst worden enkele algemene categorieën van kruisbekgeluiden besproken. Vervolgens worden de soorten en vocale typen kruisbekken behandeld; meer dan 100 voorbeelden zijn ter illustratie van de verschillende geluidsrepertoires te beluisteren op de bijbehorende CD. Sonagrammen en vertraagde opnamen worden gebruikt om structurele verschillen tussen de geluiden te verduidelijken.

 

klik om himalaya kruisbek zang af te spelen met MS-mediaplayer
Himalaya kruisbek zang
Himalaya kreuzschnabel sang

©Magnus Robb

klik om witband kruisbek zang af te spelen met MS-mediaplayer
Witband kruisbek zang

Binden kreuzschnabel sang

©Magnus Robb

klik om gewone kruisbek zang af te spelen met MS-mediaplayer
Gewone kruisbek zang

Fichten kreuzschnabel sang

©Magnus Robb


Ziekten bij kruisbekken.
Marcel Kleijnen aangepast 14-8-05
Kruisbekken zijn in vergelijking met andere vinkachtigen minder gevoelig voor de bekende ziekten. Coccidiose komt maar zeer sporadisch voor, dus preventief kuren met Baycox of ESB3 is geheel overbodig. Dit betekent natuurlijk niet zo dat deze ziekte überhaupt niet voorkomt bij kruisbekken, echter Baycox of ESB3 dient alleen toegepast te worden als de ziekte daadwerkelijk wordt geconstateerd, bij voorkeur na een mestonderzoek. Opletten geblazen is het net het verstrekken van Baycox. De grote kruisbekken zijn nogal stijfkoppen wat betreft het aangeboden drinkwater. Als het hun niet bevalt qua smaak (met name als er medicijn bijgevoegd is) weigeren ze pertinent hiervan te drinken en verzwakken de vogel zodanig dat ze kunnen sterven binnen 24 uur. Opletten geblazen dus! Ziekten die wél vaker de kop op steken bij volwassen kruisbekken zijn kalkpoten, draaihalsziekte (is dit de juiste term? De vogels lijken geheel coördinatieloos, kunnen niet meer vliegen en liggen kronkelend op de grond), megabacterie en ontstoken ogen. Kalkpoten (schurftmijt) zijn relatief eenvoudig te genezen door het toedienen van "antiluchtpijpmijt" van Bogena. Dit product wordt in de nek-schouder gedruppeld en na 1 week herhaald te worden. Ook kan men de poten insmeren met vaseline of slaolie. Ontstoken ogen kan men relatief goed behandelen met oculsan (Ast farma bv Oudewater). Laatst had ik een grote kruisbekpop met een ontstoken oog.
Meteen heb ik het oog van de vogel schoon gewassen met afgekookt water. Van een Belgische kweker vernam ik dat men het beste het oog kan schoonwassen met boorwater. Dit was in de apotheek echter niet verkrijgbaar. De apotheker had boorwater uit zijn assortiment genomen omdat de meerwaarde van boorwater ten opzichte van afgekookt water te verwaarlozen is, aangezien het geen ontsmettende waarde heeft. Het schoongemaakt oog heb ik vervolgens behandeld door er een laag cavasan op te smeren en baytril 10% in het drinkwater te doen. De vorige keer dat ik een vogel had met een ontstoken oog, hielp deze combinatie van medicijnen perfect. Teleurstellend was dat de dag erna het oogleden rond het oog zelfs zodanig waren opgezwollen dat het oog zelf niet zichtbaar was. Ondanks dat ik de beschreven behandeling 3 dagen lang had toegepast bleek na 3 dagen er nog steeds geen verbetering op te treden. Ik besloot naar dierenarts Philippen & Klein te gaan in Nuth. Deze bekeek de bacteriële ontsteking en gaf me ter behandeling een flesje baytrill en oculsan mee. Baytril, een breedspectrum antibioticum voor in het drinkwater, dosering 1,5 ml per liter en oculsan, oogdruppels met een combinatie van antibioticum en corticosteroïd (goed schudden voor gebruik).Binnen een dag was de zwelling al geslonken en na 3 dagen niet meer te zien. Ik stond versteld van de snelle werking van de medicijnen. Oculsan schijnt tevens schimmelinfecties te bestrijden. De vogel zit inmiddels weer bij MK en wordt momenteel ingezet voor de kweek. Megabacterie is goed te behandelen met megabac van dierenarts Couteel.

Noot: Kruisbekken ziet men s'avonds voor ze slapen gaan vaak met schuim op de bek zitten, ze zien eruit als of ze ziek zijn. Dit is echter voor kruisbekken de normaalste zaak van de wereld, ze maken op dat moment hun snavel (en krop?) van binnen schoon.

KRUISBEKKEN kweek 2002-2003
Peter Knops

7 mei 2003: Box 4. himalaya kruisbekken. Dit koppel heeft de afgelopen week weer driftig aan een nieuw nest gebouwd. Bij controle zag ik dat er al 3 eieren in het nest lagen. De 3 jongen van de tweede ronde worden nog steeds bijgevoerd door de man. Deze zal ik over ±1,5 week afvangen en bij de 2 jongen van de eerste ronde voegen. Het herkennnen van het geslacht is moeilijker dan bij de gewone en grote kruisbek, mannen laten minder duidelijk een gele kraag zien. Mogelijk zijn het allemaal poppen, ik zie weinig verschil onderling. Om zekerder te zijn zal ik bij het verspenen enkele borstveertjes plukken, die weer binnen 4-5 weken nagroeien en uitsluitsel zullen geven.


6 mei 2003: Box 3. gewone kruisbekken. De pop heeft het nest voor de 2e ronde klaar en zit weer op eieren te broeden. Hoeveel eieren het zijn weet ik niet omdat ik geen nestcontrole heb uitgevoerd. Ik wil de 4 jonge kruisbekken niet onnodig opschrikken, door me in hun kweekbox te begeven, aangezien ik toch niet voornemens was de eieren te rapen. Over ±1,5 week zal ik de jongen afvangen en gelijk checken of er eieren gekipt zijn.
21 april 2003: Gewone kruisbekken. De eieren van de grote kruisbek die ik onder dit koppel heb geschoven zijn alle 4 tegelijk uitgekomen.
21 april 2003: Box 9 Grote kruisbekken. De pop heeft inmiddels weer opnieuw een ei gelegd. Ditmaal zal ik de eieren niet rapen. Box 4. Himalaya kruisbekken. De drie jongen zijn uitgevlogen.
18 april 2003: Box 3. gewone kruisbekken. Van de 4 jongen zijn er vandaag 3 uitgevlogen, de vierde blijft als alleenheerser alleen achter enhoudt de overige jongen van boven goed in de gaten. Op de bodem van de box heb ik zoals altijd (enkele dagen van te voren) samengebundelde takken gelegd, zoadat je jongen niet op de grond hoeven te verblijven tijdens de koude nachten. Tevens zijn de takken ideaal om vliegoefeningen te doen.
13 april 2003: Box 1. Gewone kruisbekken. Aangezien ik graag meer grote kruisbekken wil kweken komend seizoen besluit ik de eieren van de grote kruisbekken van box 9 onder dit koppel te laten uitbroeden.

11 april 2003: Box 4. himalaya kruisbekken. Ook de 4 jongen himalaya´s groeien prima, toch is er vandaag eentje op onverklaarbare wijze gestorven, ringnummer 4. De overgebleven jongen hebben ringnummer 3, 5, 6. Ik heb ze geringd op 6 en 7 april, dus bij een leeftijd van 4 en 5 dagen.
10 april 2003: Box 1 Gewone kruisbekken. De pop heeft alweer het 3e ei gelegd van de 3e ronde. Box 9 grote kruisbekken. Deze pop legt vandaag haar eerste ei van de derde ronde

7 april 2003: Box 3. gewone kruisbekken. De 4 jongen groeien voortreffelijk en worden door man en pop goed gevoerd. Vandaag heb ik de jongen geringd met ringen van 3,2 mm, ringnummers 6, 7, 8, 9. Box 9. Grote kruisbekken. Helaas is een van de twee jongen gestorven, het bleef in verhouding tot het ander jong ver achter in de ontwikkeling. Beide jongen werden geringd met maat 3,5mm nummers 03 en 04.
2 april 2003: Box 4. himalaya kruisbekken. Vandaag zijn alle 4 de eieren van dit koppel uitgekomen.
1 april 2003: Box 3. gewone kruisbekken. Heden zijn de 4 eieren van dit koppel tegenlijk uitgekomen.
30 maart 2003: Box 1 Gewone kruisbekken Toen ik maar zag dat er maar 2 kopjes van de jongen boven het nestje uitkwamen bij het voeren van de jongen besloot ik te checken wat er met het 3e jong aan de hand was. het bleek te zijn gestorven. Op het moment dat ik het dood jong uit het nest tilde, sprong een van de overige twee jongen uit het nest en kwam verkeerd terecht op de grond. Meteen zag ik dat er iets mis was omdat hij niet meer normaal rechtop kon zitten, maar steeds achterover op zijn rug viel. Na enkele minuten was het dood. Er rest dus nog maar slechts 1 jong in dit nest, ringnummer 04.
22 maart 2003: Box 9. Grote kruisbekken. Twee van de eieren zijn slechts uitgekomen, hoewel ze alle 4 bevrucht waren. naar mening van een gerenomeerd kweker is het niet uitkomen van veel eieren de afgelopen periode te wijten aan de weersomstandigheden de afgelopen tijd. Veel droge wind vanuit het oosten, koude nachten, warm overdag waardoor de eieren uitdrogen. Het zijn de sterkste kuikens die wel door het taai geworden eivlies onder de eierschaal weten te komen.
18 maart 2003: Box 3. gewone kruisbekken. Heden heb ik de 4 eieren die ik de afgelopen 4 dagen bij dit koppel heb geraapt de pop terug gegeven om te bebroeden. Box 4 Himalaya kruisbekken. De himalaya pop heeft heden het 5e eitje gelegd van het 2e broedsel, gisteren heb ik het legsel van 4 eieren dat ik ook raapte, gezet.

gewone kruisbek pop box.: eieren gezet 15 maart 2003: Box 1 Gewone kruisbekken 3 eieren uitgekomen. Box 4 Himalaya kruisbekken. De himalaya pop heeft heden haar 2e eitje gelegd van het 2e broedsel.

 




8 maart 2003: Box 4. Himalaya kruisbekken. De twee jonge himalaya kruisbekken zijn heden uitgevlogen.
7 maart 2003: Box 9 Grote kruisbekken. De 2 jongen zijn van gisteren en vandaag uitgevlogen. Een van de jongen is een stuk kleiner dan zijn dan de andere. Zijn conditie baart me zorgen, ik weet niet of hij het zal halen. De Pop heeft inmiddels al weer het 3e ei gelegd van de 2e broedronde. De eieren heb ik wederom geraapt, zodra het 4e ei gelegd is zal ik de eieren terugleggen.

27februari 2003: Box1 gewone kruisbekken 1e ei van 2e ronde
box 1: 2 jonge kruisbekken 2 weken oud. 20februari 2003: Van de drie jongen van de grote kruisbekken in box 9 is vandaag 1 jong gestorven, de twee overige zijn de laatste dagen fors gegroeid en zijn inmiddels voorzien van een ring, maat 3,5 mm, nummers 01 en 03. Ook de twee himalaya´s in box 4 zijn geringd, met maat 2,9mm, ringnummers 01 en 02. De ringen worden voorzien van een ventielslang omhulling, zodat de kans dat der oudervogels de ringen aanzien als een bevuiling van het nest, wordt verkleint, zodat de ringen niet met jong en al uit het nest worden gedonderd. In box 1 zag ik dat de gewone kruisbekken pop aan de onderkant het nest was aan het slopen om met dat nestmateriaal aan een tweede nest in een ander nestkorfje te beginnen. Ik heb onmiddelijk nieuw nestmateriaal aangeboden, dat meteen aanvaard werd. Het tweede nest is al weer bijna klaar. De tweede nestronde voor box 1 in aantocht.

box 4: Himalaya kruisbekken inspecteren de pas gekipte jongen.16februari 2003: Ook de eieren van de himalaya kruisbekken uit box 4 zijn uitgekomen. Twee jongen in het nest, een eitje, wel bevrucht is niet uitgekomen. De pop is wel erg tam geworden, of is het gewoon dapper, want ik moet ze gewoon van het nest tillen om het nest te controleren. De grote kruisbekken pop van box 9 is altijd als een speer weg als ik met mijn hand het nest nader. Na nestcontrole blijft ze altijd argwanend achter en het duurt toch weer enkele minuten voor ze haar plek op het nest weer inneemd. Haar mannetje is inmiddels in een tweede nestkorfje aan het 2e nest begonnen, ik zag hem slepen met coniferentakken. Toen ik nestmateriaal verstrekte, noteerde ik dat de man driftig wapperend met de vleugels, opgezette kruin en met nestmateriaal begon te baltsen.


box 9: Grote kruisbekman zoekt pop op om te voederen op het nest15februari 2003: De eieren van de grote kruisbekken in box 9 zijn gekipt, 3 mooie jongen. In box 1 is een van de gewone kruisbekken jongen gestorven, het was een in verhouding met de twee overige jongen een klein beestje en is waarschijnlijk in de verdrukking gekomen. De overgebleven jongen zijn geringd met ringmaat 3,2 mm nummers 01 en 02. In box 5 heeft de himalaya pop nog steeds geen ei gelegd, ik denk dat het bouwsel afkomstig is van de man, de pop is schuw en laat zich maar weinig zien en veschuilt zich in de groene coniferen takken.

 


witbandkruisbek pop box  84februari 2003: Bij nestcontrole bleek dat bij de gewone kruisbekken van box 1 de 3 eitjes zijn uitgekomen en al een redelijk formaat hebben, ze zijn vermoedelijk al 3 dagen oud. Ook de himalaya kruisbekken van box 4 hebben inmiddels het legsel kompleet, 4 eieren, waarvan er een bij het terug in het nest leggen, ik had ze geraapt, verloren is gegaan door mijn eigen schuld. Ik liet het gewoon uit de hand vallen. Maar toch, 3 eieren om te bebroeden. Het koppel himalayakruisbekken uit box 4 heeft al ongeveer 2 weken het nest klaar, maar nog steeds geen eitjes. Echt verontrustend is dit niet, kruisbekken wachten soms nog lang met het leggen van een ei, als het nest klaar is, zo heeft het koppel van box 9, de grote kruisbekken het nestgebouwd in 2 dagen tijd, maar duurde het ook ongeveer 2 weken voor de pop overging tot leggen.

 


grote kruisbek man box  91 februari 2003: Ook het koppel grote kruisbekken (box9) heeft het legsel kompleet, 3 eieren die ik geraapt heb en vandaag terug in het nest heb gelegd, gezet zoals dat heet. Een van de twee koppels himalaya kruisbekken ( box 4) heeft ook al twee eieren gelegd, ook bij hen heb ik de eieren geraapt, zodat ze tesamen bebroed worden en gelijk uitkomen, tenminste, als ze bevrucht zijn. Vannacht was het ± 7 graden onder het vriespunt, dit schijnt de vogels niet te deren.

 



19 januari 2003:Inmiddels hebben vier koppels kruisbekken een nest gebouwd, 1 koppel grote kruisbekken, 2 koppels himalaya kruisbekken en 1 koppel gewone kruisbekken. Dit laatste koppel, in box 1 heeft reeds 3 eieren gelegd en zit nu vast te broeden. Het mannetje van dit koppel heb ik enkele dagen eerder de vleugelpennen ingekort daar hij de pop hardhandig toegetakelt had bij een balts. Op het hoofd mist de pop veren, een aanzienlijke kale plek. Daar het mannetje nu niet meer zo vliegvaardig is kan de pop makkelijk het driftige mannetje makkelijk ontwijken. Ik vind deze oplossing beter dan het afvangen van de man, omdat zijn rol in het grootbrengen van de jongen toch meestal aanzienlijk is. Mijn ervaring is dat als men een afgevangen kruisbekken man terug bij de pop zet, zodra de eieren zijn uitgekomen, deze niet denkt aan het aanwezige kroost, maar alleen aan het zich verder voortplanten, het vrouwtje het hof maken. De pop zou bij een dergelijke driftige man het loodje kunnen leggen.

kweekruimte 8x3 meter, 2,30 hoog, 10 boxen1 januari 2003: Het broedseizoen 2003 ben ik vandaag gestart door de kweekkoppels die ik half december gekoppeld heb in 10 kweekboxen, te voorzien van nestmateriaal. Meteen zie ik dat er vogels zijn die interesse tonen voor het aangebodene. Vooral de grote kruisbekken van box 9 zijn druk in de weer met het nestmateriaal. Tevens heb ik vanaf 1 december aleppo, dennenzaad, verstrekt om ze in broedconditie te brengen. Vitaminenkuurtjes heb ik afgelopen periode achterwege gelaten. Ook antibiotica en anti-coccidiose preparaten heb ik het afgelopen driekwart jaar niet nodig gehad, hoewel er een drietal vogels (witbandkruisbekken) op onverklaarbare wijze zijn gestorven. Waarschijnlijk heeft de verhuizing naar de kweekboxen buiten (ik kweekte voorheen binnen met kunstlicht) stress veroorzaakt, maar goed ik start het seizoen met vogels in prima conditie.



1 augustus 2002
: Het broedseizoen is nu definitief ten einde. Totaal heb ik 7 gewone kruisbekken gekweekt en 9 witbandkruisbekken. Inmiddels ben ik gestart met de bouw van een nieuwe buitenvoliére. Hij wordt 8x3 meter waarin 10 kweekvluchten van 2 meter diep komen, en een loopgang van 1 meter breed. De voorbereidingen voor het seizoen 2003 zijn dus al begonnen!

 


jonge witband kruisbek (gele boord, dus waarschijnlijk een mannetje)24 juli 2002: Broedsel4G; Ze zijn inmiddels uitgevlogen, de twee jonge gewone kruisbekken. Een mannetje en een popje blijkt het te zijn. Broedsel5F; Het ene overgebleven witbandjong is vandaag uitgevlogen. Zodra de laatst uitgevlogen jongen zelfstandig zijn zal ik alle mannetjes en popjes van mekaar scheiden. Tevens zal ik de vogels na de rui op een kariger menu stellen, met maar weinig dennenzaad en aleppo.

 

 


grote kruisbekken13 juli 2002: Broedsel4G; De twee jonge kruisbekken doen het voortreffelijk. Ze worden door beide oudervogels voortreffelijk gevoed. Ze zullen volgende week naar planning uitvliegen. Broedsel5F; Twee van de witbandkuikens vond ik vanmiddag dood op de grond. Zouden de 3 jonge vogels van het vorige nest, die nog steeds in de kweekvlucht zitten, hier iets mee te maken hebben? Eén dood jong miste een poot. Aangezien de oudere jongen zelfstandig zijn besluit ik ze voor alle zekerheid, af te vangen en in de babyvlucht voor mannetjes te zetten, ze vertonen enigzins een gele boord op de borst, waardoor ik vermoed dat het drie mannetjes zijn.

 


jonge gewone kruisbek9 juli 2002: Broedsel5F; Alle drie de eitjes zijn vandaag gekipt. Het is reeds voor de vierde keer dat dit koppel jongen heeft dit jaar. Eerste nest: 4 jongen, 2e nest: 1 jong en het derde nest 3 jongen en nu wéér 3 jongen. Een productief koppel.

 




jong mannetje niet opgekleurd29 juni 2002: Broedsel4G; Twee van de eitjes waren bevrucht en vandaag uitgekomen. Ik hoop de de oudervogels nu wel de jongen groot krijgen. Bij de laatste twee legsels verliet de pop de jongen na een week.. Babyvlucht; Het jonge mannetje, gekipt op 28 januari is nu volledig uit de rui. aangezien hij geen kleurstof heeft gekregen is hij niet rood, maar geel van kleur.




witband jong 19 dagen oud27 juni 2002: Broedsel5F; De witband pop heeft totaal 3 normale eieren gelegd die ik haar teruggeef om te bebroeden. Ze zullen naar verwachting op 9 juli kippen. De 3 jonge kruisbekken van haar vorige nest zijn gisteren uitgevlogen. Zo tam als ze waren toen ze nog in het nest lagen, zo schuw zijn ze nu. Dit heeft denk ik te maken met de alarmkreten die de vadervogel uitslaat, zodra ik de kweekbox benader.

 



witbandeitjes; 3 normale en het bewuste eitje van 24 juni 200224 juni 2002: Broedsel5F; De witband pop is al weer aan een nieuw nestje begonnen. Vandaag heeft ze tot mijn verbazing niet één ei gelegd maar twee! Ik weet honderd procent zeker dat er gisteren géén ei is gelegd, tevens is ze de enige pop in de kweekbox. Wel is het tweede eitje zeer klein van formaat. De eitjes worden weer geraapt. Het kleine eitje zal ik niet zetten, mijn inziens kan er niks uitkomen. De jongen van broedsel 5E zijn nog steeds niet uitgevlogen. Ze worden uitstekend gevoed door de vader vogel.

 


jonge witbandkruisbekken broedsel 5E17 juni 2002: Broedsel2F; Het ene bevruchte eitje van het legsel is niet gekipt. Broedsel4G; Het koppel is toch weer aan een volgende ronde begonnen. Vandaag heeft de pop haar 4e eitje gelegd, dus worden de 3 geraapte eitjes terug in het nest gelegd. Naar verwachting komen ze 29 juni uit. Eerst had ik mijn twijfels of ik de pop nog maar weer zou inzetten, aangezien het toch al weer de 7e keer is, dat ze eieren legt, dit jaar. Ik heb de man al eens weggenomen bij de pop en bij de jonge mannetjes geplaatst. Dit wekte echter agressie op bij de man, mede natuurlijk omdat hij de pop nog kon horen, die me duidelijk maakte dat ze het niet eens was met de scheiding. De agressie van haar mannetje ten opzichte van de jonge mannetjes deed mij besluiten deze man maar weer bij zijn popje te zetten.



Jonge kruisbekken 20029 juni 2002: Broedsel5E; Het bevuilde eitje is helaas niet uitgekomen. De 3 jongen heb ik gisteren geringd. Eén jong, het grootste, had vandaag de ring af. Met moeite krijg ik dit witband-kuiken met 3.2 mm geringd. Babyvlucht; De jonge mannetjes heb ik gescheiden van de jonge popjes, aangezien ze binnenkort gaan ruien. Het oudste jonge mannetje is al volledig in de rui (deze vogel voer ik daarom maar niet rood op).De mannetjes ga ik opvoeren met intensief rood van BOGENA.




pop broedsel 2F op het nest4 juni 2002: Broedsel2F; Van dit legsel, blijkt maar 1 ei bevrucht. Broedsel4F; Alle drie de eieren blijken onbevrucht. In ieder geval heeft er zich geen ontwikkeling van de vrucht voorgedaan. Waren de eitjes misschien toch te oud, toe ik ze heb gezet? Als iemand ervaring heeft met het zetten van wat oudere eitjes, of weet hoe lang men geraapte eitjes kan bewaren, mag ik dat graag vernemen. e-mail naar postmaster@loxia.net Broedsel5E; Vandaag zijn 3 van de 4 witband-eitjes gekipt. Het vierde ei is ook bevrucht, maar is een weinig bevuilt met vogelpoep. Dit was ik er met vochtig keukepapier zo goed als het kan eraf.



nestmateriaal wordt aageboden in korfje aan buitenkant voorfront25 mei 2002: Broedsel2F; De pop, die zonder man zit, maar met de twee uitgevlogen jongen, heeft vandaag haar broedsel gecompleteerd door haar 5e ei te leggen. Natuurlijk zij al deze eieren onbevrucht aangezien ik de man afgevangen heb. Ik was van plan om de drie eieren ik ik nog had van het broedsel 4F onder deze pop te plaatsen, echter 1 ei was op onverklaarbare wijze beschadigd. Van de 5 gelegde eitjes vervang ik er dus maar twee. De geraapte eieren worden door mij in lorkenzaad bewaard, aangezien dit zaad fijn van structuur is. Zitten er in dit zaad misschien toch parasieten of iets dergelijks, die de eitjes aantasten? Volgende keer zal ik de eitjes zeker niet meer in dit zaad bewaren, maar in millet.



1e jong 2002 bijna uit de rui23 mei 2002: Broedsel5E; Ook de witbanden zijn niet stil blijven zitten. Vandaag werd al weer het 4e eitje gelegd, dus werd het legsel gezet, want de eieren waren natuurlijk weer geraapt. Nadat de eieren van het vorig legsel waren weggenomen (op 13 mei) om door de gewone kruisbek te worden bebroed, nam de witbandpop zich dus 7 dagen de tijd om aan een nieuw legsel te beginnen.






Man broedsel  4F21 mei 2002: Broedsel4F; De pop heeft inmiddels alweer een volgend nest klaar én hierin een legsel van drie eieren gelegd. De derde dag werd geen ei gelegd. Natuurlijk werden de eieren geraapt en vervangen door een kunsteitje. Vandaag heb ik deze kunsteitjes vervangen met de 3 eitjes van de witbanden. Het eerste van deze eitjes is gelegd op 10 mei, dus al 10 dagen oud. Men zegt dat men de eitjes wel 2 weken kan bewaren, mits men ze regelmatig draaid. (1 á 2 maal per dag). Ik ben benieuwd......




de twee jongen van broedsel 4E16 mei 2002: Broedsel2E; De pop heeft gisteren het legsel voltooid (4 eieren) maar is niet tot broeden overgegaan. De man heb ik weer afgevangen omdat hij aanhoudend achter de pop aanjaagd en haar geen kans tot broeden geeft. Ook heb ik niet één keer waargenomen dat hij de bedelende jongen voerde. De pop heeft nu wel de kans om rustig de twee jongen te voeren. Misschien dat ik, zodra deze pop weer een nieuw nest heeft, hier de eieren van de witbanden mee kan wisselen. De tijd zal het leren....



13 mei 2002: Broedsel5D; Het legsel van de witbandkruisbekken is al weer compleet. Deze heb ik weer geraapt en vervangen door kunsteieren. Van de 4 eieren was er al één gesneuveld, waarschijnlijk was het uitgevlogen jong in de kweekbox hier oorzaak van. Ik heb besloten de drie kunsteieren niet te vervangen door de echte, maar helemaal weg te nemen. De, hopelijk bevruchte, eieren zal ik, zodra er door de gewonekruisbekken een legsel hebben voltooid, hiermee wisselen. Dat de witbanden aan een volgend broedsel zullen beginnen, daar ben ik van overtuigd.

Jong Broedsel 5C10 mei 2002: Broedsel5D; Het witbandpopje legt het 1e ei van de derde ronde. Broedsel2E; Twee van de jongen zijn gisteren uitgevlogen. Het derde jong vond ik vanmiddag dood in het nest. De doodsoorzaak is me onbekend. Zou de mannetje er iets mee te maken hebben? Broedsel4E; Helaas vond ik vanmorgen vroeg ook het ene jong van dit broedsel dood. Het lag in een voerbakje. Ook hier is me de doodsoorzaak onbekend.

 



Man kooi 2, ontsnapt uit TT-kooi.7 mei 2002: Broedsel5C; Het witbandjong groeit prima en zitten al flink in de veren. De pop is inmiddels alweer gestart met nestbouw ten behoeve van de 3e ronde. Broedsel2E; Ook deze jongen groeien prima en zitten al flink in de veren. Ze zullen binnenkort uitvliegen. De vadervogel wist te ontsnappen uit de TT-kooi die in de kweekvlucht stond. Hoewel de man zich niet met het nest jongen bemoeid laat ik hem maar in de vlucht en heb ik de TT-kooi verwijderd. Ten behoeve van volgende kweekronde verstrek ik in deze vlucht nu ook nestmateriaal, waar de pop onmiddellijk aandacht aan besteed. Broedsel4E; Het ene, 5 dagen oude jong heb ik vandaag geringd




Witband jong 2 mei 2002: Broedsel4E; Het ene bevruchte eitje is vandaag uitgekomen. Broedsel2E; Van de vier jongen bleef er eentje in ontwikkeling achter. Dit jong is vandaag gestorven.


 



jonge witbandkruisbekken 39 dagen27 april 2002: Babyvlucht;De jonge vogels doen het goed. Ik plet het normale zadenmengsel en de aleppozaden zodanig, dat ze goed gekneusd zijn. De jonge vogels krijgen zo de kans goed te wennen aan de zaden die ze normaal nog niet kunnen openen omdat ze nog te hard zijn voor ze.Tevens hang ik regelmatig een lariks-tak in de vlucht. Ze houden ervan hieraan te knagen, terwijl ze de jonge bladeren (de naalden) met graagte opnemen. Broedsel4E; Bij nestcontrole blijkt dat slechts een van de drie eieren bevrucht is.Dit eitje zal naar verwachting 2 mei kippen.




4 jonge kruisbekken broedsel 2E25 april 2002: Broedsel2E;De jongen groeien prima, ondanks dat ze het zonder vader moeten stellen. Vandaag heb ik twee van de vier jongen geringd, morgen de twee overige jongen. Eivoer wordt door de moedervogel niet opgenomen. Dit wordt dan ook niet meer verstrekt. Wel worden in deze vlucht geplette zaden verstrekt, zodat de moedervogel sneller de zaden kan opnemen. En , natuurlijk, worden, met mate (±10 per dag), de pijnboompitten verstrekt. Broedsel5C; Van de twee bevruchte eieren trof ik helaas eentje aan op de grond. Het reeds dode jong was voor de helft gekipt. Het andere eitje was wel goed uitgekomen. Het onbevruchte ei laat ik liggen, daar anders de kans op nestpootjes groot is.



Jongen in babyvlucht20 april 2002: Broedsel5B; De witbandjongen uitgevangen en in babyvlucht gezet, aangezien de eieren van het 2e legsel naar verwachting op 22 april zullen kippen. De jongen zijn nu ±1 maand oud. Bij de oudervogels was het uitvangen van de 4 jongen geen reden tot paniek, wat mij enigzins verbaasde aangezien ik in de voorafgaandetijd , bij het benaderen van de kweekbox door het ouderpaartje altijd getrakteerd werd met luide alarmroepen. Bij andere kruisbekken zag ik al vaak dat , vooral mannetjes, buiten zinnen raken wanneer men probeert een van zijn jongen in de hand te nemen. Bij nestcontrole zie ik dat er 3 eieren in het nest liggen, waarvan er 2 bevrucht zijn. Een 4e ei (óók bevrucht) vond ik vorige week kapot op de grond. Broedsel2E;Hoe het met de jongen gaat is mij niet bekend, ik wil de pop zo veel mogelijk met rust laten. De man heb ik weer terug moeten zetten in de TT-kooi. Hij valt zijn pop steeds aan,waarschijnlijk met de bedoeling haar aan te zetten tot nieuwe nestbouw. Hopelijk kan de pop de jongen alleen groot brengen, eventueel probeer ik nog eens wat gebeurd als ik de man nog eens bij de pop laat.

 


pop broedsel 4E19 april 2002: Broedsel4E; 3 eieren gezet. Op de dag dat het 3e ei zou zijn gelegd was er geen ei om te rapen. Al eerder heb ik gemerkt dat kruisbekken wel eens een dag overslaan en geen ei leggen. Broedsel2E;De eieren zijn uitgekomen. Het mannetje heb ik weer bij de pop gelaten. Meteen begon deze te baltsen. Dat hij daadwerkelijk de pop helpt met het voeren van de jongen heb ik echter niet gezien.




kooi5 witbandkruisbek-familie (jongen 25 dagen)14 april 2002: Broedsel4E; Pop legt 1 ei van nieuw legsel. Ik zag de afgelopen week regelmatig het mannetje baltsen, dus de kans dat de eitjes bevrucht zijn is groot.


 



Witbandkruisbek pop 2e broedronde9 april 2002: Broedsel5C; Witbandpop legt 4e ei van 2e legsel. De 3 geraapte eieren worden nu terug in het nest gelegd. Ze komen naar verwachting op 22 of 23 april uit, na 13 of 14 dagen. Broedsel2E; Alle 4 de eieren bevrucht. Hieruit blijkt maar weer dat het klopt dat het hele legsel al bevrucht is zodra (of voordat) het eerste ei gelegd is. Met andere woorden; De man mag afgevangen worden zodra het eerste ei gelegd is.

 



Nieuwe gewone kruisbek man kooi 47 april 2002: Broedsel4E; Van een kruisbekkenkweker, Toon Franssen uit Nijswiller, krijg ik vandaag een mooi gewoon kruisbek mannetje te leen. Hij kon er geen mannetje bijvinden, waarna hij er als noodoplossing een groenlingpop bij had gezet. Toon kweekt dit jaar met 2 koppels gewone kruisbekken, een koppel haakbekken en een aantal koppel grote en kleine goudvinken. Nadat ik de 2 jongen van het vorig broedsel (4C) in de babyvlucht heb gezet (samen met het jong van broedsel 2B) en het nest van broedsel 4D heb verwijderd, heb ik de nieuwe man, vandaag, meteen bij het popje gezet.



witbandjong 19 dagen6 april 2002: Broedsel5B; De witbandkruisbekjongen zijn uitgevlogen. Broedsel2E; De kruisbekpop legt haar 4e ei. De man verblijft nu permanent in de TT-kooi. Hierdoor heeft de pop de rust die ze nodig heeft. Als de eerste jongen er zijn zal ik de man weer bij de pop laten. Broedsel5C; Witbandpop heeft nieuw nest klaar en er het eerste ei al ingelegd. deze eieren worden ook geraapt.

De temperatuur in de ruimte bedraagd nu gemiddeld 19 á 20 graden Celcius en een Relatieve vochtigheid van ± 55%. Het licht gaat s´morgens aan om 6.45 uur en uit om 21.30 uur. Regelmatig heb ik de de afgelopen tijd de daglengte met een kwartier aangepast.


Witband man Op achtergrond pop op het nest5 april 2002: Broedsel4D; Alle vijf de jongen zijn gestorven. De pop heeft wel nog de jongen gevoed, want de kropjes zaten nog vol, maar ze waarschijnlijk niet meer voldoende warm gehouden. Ik denk dat het opvoeden door alleen de pop, zoals bij wisselbroed, weing kans op slagen opleverd. Graag zou ik van lezers willen vernemen of wel eens met goed gevolg een nest kruisbekken is grootgebracht door een kruisbekken pop alleen! Reacties:lezers@loxia.net

 



witbandnest 15 dagen4 april 2002: Broedsel5B; De witbandkruisbekjongen groeien ook prima, hoewel ze nog niet zijn uitgevlogen. Broedsel2E; De kruisbekpop legt al weer haar 2e eitje. Natuurlijk worden ook nu alle eitjes weer geraapt. Het mannetje verblijf vanaf heden permanent in de TT-kooi, zodat de pop de eieren met rust kan uitbroeden.





5 gewone kruisbekjongen 4 dagen, net geringd. 2 april 2002: Broedsel4D; Het mannetje gewone kruisbek zat gisteren ziek in een hoek op de grond, vandaag is hij gestorven. En dat terwijl er 5 jongen in het nest van zijn popje liggen. Ik zag wel, dat deze pop hulp krijgt van een van de twee jongen, van het eerder legsel.
3 april 2002: Broedsel4D; De jongen groeien voortreffelijk, zelfs zo goed, dat vandaag 4 van de 5 jongen worden geringd. De verstrekte gepelde pijnboompitten worden met graagte opgenomen.




witbandkruisbekjongen 9 dagen30 maart 2002: Broedsel5B; De witbandkruisbekjongen groeien voortreffelijk. Over enkele dagen vliegen ze al uit! De witbandouders zijn zeer vertrouwd geworden met nestcontrole. Verbazend is vaak hoe tam kruisbekken worden zodra er sprake is van een nest. Broedsel4D; De eieren van de gewone kruisbekken zijn alle 5 uitgekomen





Felle man in TTkooi in kweekbox28 maart 2002: Broedsel2D; De eieren heb ik weggenomen, aangezien de pop de eieren niet goed bebroed. Ze had 5 eieren gelegd. Deze waren bevuild met uitwerpselen. Vier van de vijf eieren waren bevrucht. De felle man wordt afgevangen en in een TTkooi in de kweekbox geplaatst. De pop is meteen begonnen met nieuwe nestbouw. In de namiddag laat ik hem iedere dag een uurtje bij de pop, zodat het komend legsel ook bevrucht zal zijn. Zodra het 2 ei is gelegd, zal ik de man permanent in de TTkooi laten, totdat de eieren uitgekomen zijn. Het volledige legsel is dan zeker al bevrucht. De man hoeft niet elke dag meer dat uurtje bij de pop gelaten te worden.





nest jonge witbandkruisbekken  6 dagen oud26 maart 2002: Broedsel5B; De 3 grootste witband jongen worden geringd met ringen maat 3.2 mm Het kleinere jong zal morgen geringd worden. De kropjes van de jongen zijn gevuld met hoofdzakelijk eivoer. De aleppo wordt door het ouderpaar bijna niet gevoerd. Broedsel2D; De pop broed niet regelmatig. Ook is het nest bevuild met uitwerpselen. Deze broedronde zal waarschijnlijk op niets uitlopen.




De kweekruimte (5 kweekboxen)22 maart 2002: Broedsel2D; De kunsteieren worden vervangen door de echte. De pop schijnt nog niet over te willen gaan tot broeden. Tegen de avond neemt ze pas haar plaats in op het nest. Broedsel5B; De jongen van de witbanden leven nog steeds. Ook de kleine nakomer doet het goed, al is hij een maatje kleiner. Echt goed gevoed worden de jongen niet, bij controle zijn de kropjes niet goed gevuld. Ik besluit de vogels te voorzien van geweekte zaden. Tevens verstrek ik, misschien nemen ze het toch, het kant en klare waldvogel eivoer van Quiko gemengt met een gekookt ei. De geweekte zaden blijven ongemoeid, echter het quiko eivoer (rul gemaakt met water) wekt wel de interesse van het mannetje. Normaal gesproken krijgen mijn kruisbekken geen eivoer, aangezien ze bij mij er nauwlijks van opnemen en ze de jongen ook groot krijgen zonder. Wel heb ik al gehoord dat ze bij andere kwekers er wel van goed van eten.



het koppel gewone kruisbekken  broedsel 2D20 maart 2002: Broedsel5B; De 4eieren van de witbanden zijn gekipt. Een van de kuikens was niet in staat om op eigen kracht uit het ei te komen. Ik help het jong met het laatste restje van de schaal. Toch vermoed ik dat hij het niet zal halen. In vergelijking met de overige 3jongen, is hij wel erg klein.





Himalaya kruisbek mannetje in de rui18 maart 2002: Broedsel2D; Pop legt haar eerste ei. Ook dit legsel zal worden geraapt. De pop gedraagt zich al een stuk rustiger, nu ze een nest heeft, toch, als ik ze vergelijk met de overige kruisbekken, vind ik het maar een schuwe vogel. Broedsel1A; Het mannetje van de himalayakruisbek is in de rui gevallen. Het kweekseizoen voor het koppel Himalayakruisbekken is waarschijnlijk al ten einde al heb ik wel eens gehoord van kwekers dat de kruisbekken gewoon verder kunnen gaan met de voortplanting direkt na de rui. Ik laat me maar eens verrassen.



kooi 2 gewone kruisbek man16 maart 2002: Broedsel4D: De pop heeft vandaag haar 4e ei gelegd De drie kunsteieren worden vervangen door de echte. Op 30 maart verwacht ik dat de eieren alle 4 tegenlijk zullen kippen. Broedsel2D; Het nest is bijna klaar. Aanvankelijk gedroeg de pop zich vrij schuw en paniekerig als ik de kweekruimte betreed. Nu, is de pop echter rustig en op haar gemak. Vaak ziet men bij vogels in gevangenschap een ommedraai in gedrag zodra er een nest is. Het vertrouwen winnen van een vogel is van groot belang wil men ook kweken met betreffende vogel. Ik zelf kondig mijn komst in de kweekruimte altijd aan door op de deur te kloppen. Ook beweeg ik mij op rustige wijze, zodat de kans dat de vogels schrikken tot een minimum beperkt blijft. Wel maak ik soms gebruik van de stofzuiger in de loopgang. Hier zijn mijn vogels aan gewend, het zet hen zelfs aan tot zingen.

 


kooi 2 jong broedsel 2B13 maart 2002: Broedsel4D: De pop heeft vandaag het eerste ei van het volgend legsel gelegd. Ook dit ei word geraapt en vervangen door een kunstof ei. De jongen zitten meer dan eens op het nieuwe nest, waardoor de kans groot is dat er een of meer eieren sneuvelen of bevuild worden. De eieren worden trouwens pas om ± 18.00 uur vervangen. Het feit dat de pop dan ± 12 uur het ei bebroed heeft, waarna het dan afkoelt heeft geen effect op het onstane vruchtbeginsel. Zodra de eieren gezet worden om te worden bebroed gaat de celdeling in het vruchtbeginsel gewoon verder (onder invloed van de verhoogde temperatuur) Broedsel2B; Jonge kruisbek is nu zelfstandig en is verzot op wortel en pijnboompitten.



ingekorte slagpennen9 maart 2002: Broedsel2D: Voor de man in die reeds 2 popjes mishandelde heb ik een popje gevonden. Ze is van Marcel Kleynen, waarmee ik heb afgesproken dat de eventueel gefokte jongen zullen worden gedeeld. Om de pop tegen het agressieve gedrag van het mannetje te beschermen knip ik de vleugelpennen met een schaar korter. De eerste 4 slagpennen maak ik even lang als de 5e vleugelpen. Zo krijgt de pop de kans om te vluchten voor eventueel buitensporig baltsgedrag. Het is natuurlijk zaak de pennen niet te kort te knippen, zodat de man de pop nog kan bevliegen. Deze methode wordt ook vaak toegepast bij de haakbek. Ook hier ziet men vaak dat het mannetje de pop toetakeld, waarbij ze menige veer verliest. Een andere methode is dat men ervoor zorgt dat er een schuilgelegenheid aanwezig is in de kweekbox, waarachter de pop zich kan verschuilen, bv een tak, struik of zelfs een houten plank. Hoofdzaak is dat de pop uit het gezichtsveld van het mannetje is.

jonge kruisbekken broedsel 4C8 maart 2002: Broedsel5B: De witbandpop heeft 4 eieren gelegd. Ik heb de eieren teruggelegd s´morgens op de dag dat ik het 4e ei verwacht. De pop zat vanaf het derde ei vast op het nest. Broedsel4C; De 2 jonge kruisbekken zijn uitgevlogen. S´avonds zag ik ze al weer op het nest zitten. Ze hadden de 2 meter terug naar boven in het nest weten te overbruggen. De Man achtervolgd de pop nog steeds voortdurend en zet haar zo aanhoudend aan tot opnieuw nestelen. Tot vandaag echter zonder resultaat. Soms leggen kruisbekkenpopjes al weer eieren in een nieuw nest, terwijl de jongen van haar vorige nest nog niet zijn uitgevlogen.




kooi 5 witbandpop met nestmateriaal4 maart 2002: Broedsel5B: Gisteren was het nest van de witbandkruisbekken klaar en vandaag buiten verwachting, legt het popje haar eerste ei. Ik besluit ook hier de eieren te rapen en ze te vervangen door kunststoffen kanarieeitjes. Deze zijn een stuk kleiner dan de kruisbekkeneitjes, maar dit is voor de vogel geen bezwaar om verder te broeden. Als het 4e ei gelegd is zal ik de geraapte eieren terugleggen, zodat ze ongeveer tegenlijk uit zullen komen. Hopelijk zij de eieren bevrucht.





kooi 5 koppel witbanden, pop met nestmateriaal28 februari 2002:Broedsel5B: Pop witbandkruisbek vertoont aanstalten om te gaan nestelen. Ik zie haar soms met nestmateriaal in een van de prefab nestgelegenheden. De temperatuur in de kweekruimte bedraagd nu tussen de 13 en 16 graden met een relatieve vochtigheid van ± 50%.

 



kooi 4 baltsgedrag26 februari 2002: Broedsel4C: Mannetje vertoont weer baltsgedrag. Hij achtervolgt haar voortdurend en als hij haar staande weet te houden, maakt hij met een imponeerende houding hapbewegingen om de pop zo een reactie uit te lokken. Meestal probeerd de pop onder de avances van de man uit te komen. Het lijkt me ook te vroeg om al aan een nieuw nest te beginnen, terwijl de jongen pas geringd zijn.. Broedsel5B: Pop witbandkruisbek vertoont aanstalten om te gaan nestelen. Ik zie haar soms met nestmateriaal in een van de prefab nestgelegenheden. De temperatuur in de ruimte bedraagd tussen de 13 en 16 graden met een relatieve vochtigheid van ± 50%




kooi 4 man en pop voeren gelijktijdig de jongen vab broedsel 4Cjongen broedsel 4C 4 dagen oud24 februari 2002: Broedsel4C: Jongen worden geringd. Ringnummer 2 en 3. Broedsel5B: Man witbandkruisbek is agressief ten opzichte van pop. Om de man in te tomen knip ik voor de zekerheid de slagpennen van de vleugels korter. De pop krijgt zo de kans om te vluchten omdat de man nu minder vlot kan vliegen.




grote kruisbekpop verhuist!23februari 2002: Broedsel3A: De pop grote kruisbek naar gaat naar een bevriend kweker uit Zutendaal. Van hem kocht ik mijn eerste koppel kruisbekken. Deze kweker is in het bezit van een mooie grote man, waarvan het popje was gestorven. Aangezien hij er geen grote pop bij kon vinden had hij er een maar gewone kruisbek pop bijgezet. Ik zag dat deze man dit popje deed bekken. We hebben mijn pop erbij gezet, waarna ze onwennig in de volieredraad bleef hangen, de grote kweekruimte verkennend. De gewone kruisbekpop die eerst bij het mannetje zat werd door de kruisbekkenkweker in een ruimte geplaatst waar de man haar niet meer kan horen of zien. Naast ±6 koppels kruisbekken wordt er ook nog gekweekt met barmsijsjes en goudvinken.

 


toegetakelde pop kooi 218 februari 2002: Broedsel2C: Het is al weer zover. De felle man takeld de pop toe, net zoals de pop waarbij hij de kweekperiode begon. Haar kop is tot bloedens toe aangepikt, er staat geen veer meer op. Ik heb haar uit de kooi gehaald en hoop dat de man alleen zorg zal dragen voor het jong. De pop heeft slechts 1 ei gelegd en is niet overgegaan tot broeden.Voor haar is het broedseizoen ten einde, ze zal niet meer ingezet worden. De man is wel erg fel. Ik vraag me af wat de oorzaak van dit gedrag kan zijn.



kooi 5 Nieuwe  witbandkruisbekken man uit Oostenrijk!17 februari 2002: Broedsel5B: Van Rainer Diewald uit Oostenrijk kan ik een witbandmannetje overnemen. De vogel is niet opgekleurd en toont dus een geel verenpak. Aangezien ik voor een extra koppel vogels geen ruimte heb, selekteer ik een pop voor de man en breng ik het andere koppel onder bij Marcel Kleijnen, een dorpsgenoot die ook kruisbekken kweekt. Marcel heeft de nieuwe witbandman voor me opgehaald in Tirol, op terugweg van de wintersport. Van hem is het gewoon kruisbekmannetje dat in kooi 4A zit. Marcel kweekt dit jaar met gewone-, grote-, en witband kruisbekken. We helpen elkaar bij het samenstellen van koppels. Bij broedsel2C wordt vandaag geen ei door de pop gelegd. Het overslaan van een dag bij het leggen komt wel eens voor bij kruisbekken.

 


kooi 2: jong vliegt uit15 februari 2002: Broedsel2B: Het kruisbekjong doet vliegoefeningen op de rand van het nest. Dit terwijl zijn moeder de afgelopen dagen een nieuw nest heeft gebouwd en daarin vandaag een eerste ei heeft gelegd. Het ligt naast het nest op de rand. Ik besluit de eieren dit maal te rapen, zodat de eieren tegenlijk uitkomen..

 



broedsel 2B: 1 jong10 februari 2002: Broedsel2B: Jong groeit voortreffelijk en wordt door beide ouders gevoederd. Broedsel3A: De grote kruisbekman is deze week gestorven. Het bleek een kropontsteking te zijn, waartegen schijnbaar geen medicijn werkt. De behandeling met baytrill die ik de vogel gaf in December was ondanks dat de vogel hersteld leek, onvoldoende. Zijn er mensen die een oplossing weten tegen de kropziekte, die zich ook wel voordoet bij goudvinken, dan mag ik dat graag van u vernemen. info@loxia.net

 


6 februari 2002: Broedsel4C: De pop legt geen 4e ei. Ik leg de geraapte eieren in het nest. Over ±14 dagen zullen er misschien weer nieuwe kruisbekken kippen!



Broedsel 4C: pop op het nest3 februari 2002: Broedsel2B: Vandaag het overgebleven jong geringd met ring nummer 1. Broedsel4C hier wordt het eerste ei wordt gelegd. Ik besluit de eieren te rapen, zodat ze tegenlijk uitkomen.

 

 


Voerbakjes een met allepo, een met basis mengeling1 februari 2002: Broedsel2B: Een van de jongen ligt dood op de grond. Bij controle blijkt het ene overgebleven jong het wel nog goed te doen. Hij heeft een goed gevulde krop. De eieren die niet uitgekomen zijn laat ik natuulijk liggen om nestpootjes te voorkomen.

 

 


broedsel 2B 2 jongen29 januari 2002: Broedsel2B:Er blijken maar 2 kruisbekkenkuikens in het nest te zijn. De twee overige eieren zijn niet uitgekomen, alhoewel bevrucht. Ik noteer wel dat de man zich voorbeeldig de rol van vader op zich neemt, en de pop op het nest voedert.

 

 


legsel kruisbekken eieren28 januari 2002: Broedsel2B: Aan het gedrag van de pop kan ik zien dat er jongen gekipt zijn. Regelmatig zie ik dat ze aandacht heeft voor wat er in het nest gaande is. Hoeveel het er al zijn is nog onbekend aangezien ik ze niet wil storen. Broedsel4C; er is gestart met de bouw van een nieuw nest. Het kant en klaar nest waarin de onbevruchte eieren lagen wordt links gelaten. (In elke kooi heb ik 2 nestgelegenheden aangebracht. Dit omdat de pop kruisbek al vaak start met een nieuw legsel, terwijl de jongen van het vorige legsel nog niet zijn uitgevlogen. Het mannetje neemt dan de zorg van de jongen geheel voor eigen rekening).



baltsgedrag pop: "bekvechten"25 januari 2002: Broedsel4B: Ik neem de onbevruchte eieren weg. De pop zit nog een uurtje op het lege nest, maar laat het vervolgens voor wat het is. Ik zie het nieuwe mannetje gedurende de dag regelmatig het verlaten nest inspecteren. Meer dan eens zie ik het echtpaar "bekvechten", onderdeel van het baltsritueel, waarbij beide vogels, soms minutenlang, tegen over elkaar, stil zitten, en elkaar niet uit het oog verliezen. De snavel wijd geopend maken beide vogels opgewonden, happende snavelbewegingen die gelijken op agressie, echter toenaderingen zijn, die uiteindelijk eindigen in pogingen van het mannetje tot paren. Super: kan ik nu wel bevruchte eieren verwachten van deze pop?

 


Nieuwe man kooi 421 januari 2002: De eieren van Broedsel4B zijn inderdaad onbevrucht. Daar de man uit zich niet koppelt aan de pop heb ik hem vervangen door een overjarig mannetje uit 1998. Dit mannetje is afkomstig van Marcel Kleynen.Misschien dat deze man meer interesse toont in de pop en haar broedlust. Voorlopig laat ik het popje nog op het nest zitten, zodat de man enigszins aan zijn nieuwe omgeving kan wennen. De eieren van Broedsel2B zijn bevrucht! Naar verwachting zullen de 4 eieren ±27 januari kippen.

 


Pop kooi 212 januari 2002: Broedsel4B: Pop broed stevig maar moet van nest om voedsel op te nemen, aangezien de man haar niet voedert. Natuurlijk geen goed teken, dat deze pop haar nieuwe partner niet accepteert. Broedsel2B: Pop legt 1e ei. Eieren worden NIET geraapt.

 

 


Nest broedsel 4B tegen voorfront kweekbox.10 januari 2002: Broedsel4B: Pop legt 1e ei van haar 2e ronde. Het lijkt me dat dit legsel niet bevrucht zal zijn. Ik heb tenminste geen enkele keer gemerkt dat er ook maar enige genegenheid is van het mannetje voor de pop.

 

 


Gewone kruisbek kooi46 januari 2002: Toen ik een bekend kweker van kruisbekken vertelde dat ik onbevruchte eieren vanonder de kruisbek vandaan had gehaald, hoefde ik niet verder te spreken, hij wist al wat er verder gebeurt was! Uit eigen ervaring wees hij me erop dat bij de kruisbek, ook al weet men dat de eieren onbevrucht zijn, de broedcyclus geheel doorlopen moet worden, aangezien anders de man zijn pop zal  aanvallen met mogelijk de dood tot gevolg! Een andere kweker sprak dit tegen, maar voor alle zekerheid zal ik voortaan onbevruchte eieren nooit meer voortijdig verwijderen. In alle kooien heb ik vandaag nieuwe dennentakken erbij gehangen. Tevens heb ik besloten de wisseling van poppen in kooi 2 en 4 zo te laten, aangezien beide poppen nesten bouwen. Ik hoop dat de verwachte eieren bevrucht zullen zijn.

 


Grote kruisbekman kooi3 opent dennenkegel.4 januari 2002: Broedsel2A; De pop, uit kooi4, die ik bij de man plaatste is actief bezig met nestbouw, de man laat er blijkbaar geen gras over groeien, en heeft de ruil van partner snel geaccepteerd. Hij volgt de pop aanhoudend, het lijkt wel alsof hij haar ertoe dwingt een nest te bouwen. Toen deze pop nog bij de man in kooi 4 zat heb ik helemaal niks bemerkt van broedsactiviteiten. Broedsel4A; De gehavende pop (van kooi 2) zie ik ook al met nestmateriaal rondvliegen en is ook bezig met nestbouw. Het mannetje wordt constant verjaagd als hij te dicht bij haar komt. Zij is, op de verloren kopveren na geheel hersteld.

 


Man gewone kruisbek kooi23 januari 2002: Broedsel2A; Vandaag probeerde ik of ik het popje terug kon zetten bij haar mannetje. Ze lijkt enigszins hersteld van haar verwondingen. Helaas, werd ze meteen wéér aangevallen, door het mannetje, waarna ik besluit haar nog maar eens terug in kooi4 te zetten. De forse gewone kruisbekpop uit kooi 4 zet ik maar bij de man van kooi2. Zodra ik haar erbij zet, begint de man opgewonden te baltsen.  

 

 



Gewond na aanslag kooi 231 december 2001: Broedsel2A; S´morgens, besloot ik de eieren te schouwen met een lamp. Het blijkt dat de 3 eieren onbevrucht zijn, waarna ik de eieren uit het nest verwijderde. De pop keerde toch terug op haar nest. Toen ik s´middags de kweekruimte inging zag ik dat de pop niet meer op het nest zat. Ik zag haar überhaupt niet meer!? Opeens zag ik haar, in een hoekje op de grond. Ze was tot bloedens toe, toegetakeld door het mannetje. Ze had geen veer meer op haar kop (zie foto). Een behoorlijke tegenslag! De pop heb ik van de man af gehaald en haar, zeer aangeslagen, apart gezet. Misschien dat ik de pop als ze weer hersteld is terug bij haar mannetje zet. 

 


Himalayakruisbek mannetje kooi 126 december 2001: Broedsel1A; Broedsel5A; Er word flink doorgezongen door de mannetjes himalaya- en witband kruisbekken en ook het grote kruisbekmannetje van Broedsel3A zingt nu aardig mee. Vaak is hij met zijn popje verwikkeld in worstelingen om een takje of een dennenappel, waarbij ze beiden vastberaden zijn het object niet los te laten met hun snavel. Prachtig om te zien, zeker omdat het mannetje 2 weken voordien er zo slecht bijzat.

 

 


Pop op nest  broedsel 2A25 december 2001; Broedsel2A; Bij nestcontrole blijkt dat er nog maar 3 eieren in het nest liggen. Op de bodem van de kweekbox is niks van het ei terug te vinden. Het mannetje is heel rustig, het zingen heeft wat nagelaten maar hij houd wel alles wat in en buiten de kweekbox gebeurd scherp in de gaten.

 

 


22 december 2001; Broedsel2A; Bij nestcontrole ontdekte ik dat er 4 eieren zijn gelegd. De pop broed stevig, reeds vanaf het eerste ei. De kamertemperatuur ligt tussen de 14 en 17 graden, de relatieve luchtvochtigheid is 50%.

Grote kruisbek kooi319 december 2001:Broedsel2A; Het eerste ei! Toch wel vroeg in het seizoen, niet? Broedsel3A; Het mannetje grote kruisbek heeft zich goed hesteld. Twee dagen baytril, 2ml/liter en daarna nog 8 dagen 1ml/liter deden wonderen. (n.b. men zegt dat totaal 5 dagen 1 ml baytril voldoende is. Tevens neem ik in koele omstandigheden liever 2 ml, aangezien de vogel dan ook minder drinkt)

 

 


Nestbouw broedsel 2A18 december: Broedsel2A; Het nest is enkele keren bijna klaar, waarna het weer verwoest wordt. Ik zie dat de man ook bezig is een nest te maken, op een andere plek. Per kweekbox bied ik 2 nestgelegenheden aan. Dit omdat de man zodra de jongen een bepaalde leeftijd hebben het voeren volledig voor zijn rekening neemt en de pop aan een nieuw nest gaat beginnen. De man van Broedsel 2A zingt nog steeds aan een stuk door, maar het achtervolgen van de pop heeft nagelaten, daar deze van zich af bijt.

 


Kooi 2  gewone kruisbekken: nestbouw16 december 2001: Broedsel2A; Er wordt aanstalten gemaakt tot nestbouw. Het mannetje zingt aan een stuk door en achtervolgd het popje aanhoudend. Zelfs zodanig dat de pop al enkele staartveren mist. Ik besluit de stalen nestkorfjes, die reeds in de kweekboxen aangebracht zijn, te voorzien van een kokos nestje.

 

 


Schemeringsregelaar ESR50010 december 2001: Broedsel3A; Het grote kruisbek haantje is gelukkig aan de beterende hand. Wel zie ik hem soms nog de oogjes dichtknijpen, maar ik heb goede hoop dat alles op zijn pootjes terecht komt.

 

 

 


Kooi 3 Grote Kruisbekken9 december 2001: Broedsel3A; Het grote kruisbekmannetje is verder achteruit gegaan. De baycox-kuur heeft hem zichtbaar geen goed gedaan. Hij zit telkens als ik de kweekruimte instap met de kop tussen de veren. Ook reageert hij niet op de gepelde pijnboompitten, die ik hem aanbied. Normaal komt hij deze als eerste halen als ik ze aanbied. Hij eet namelijk uit mijn hand. Waarschijnlijk heeft hij een infectieziekte. Vanaf vandaag geef ik hem een baytrill oplossing (breedspectrum antibiotica) aan van 2ml per liter. (de dubbele dosering, daar de vogel er zo slecht bijzit). Opvallend is de reactie van het grote kruisbekpopje, dat altijd in de buurt is van het zieke mannetje. Een waar koppel.

 


naaldboom zaden  mengeling klik om te vergroten7 december 2001: Vitaminekuurtje van 1 dag, met Omni-vit van Orlux, vooral in verband met de baycox kuur, die zoals ik reeds eerder ervoer een aanslag is op het lichaam is van de vogels. Niet alleen de kwaadaardige bacteriën, maar ook de noodzakelijke goedaardige bacteriën in het verteringskanaal worden vernietigd. Vanaf heden wordt naast de basis kruisbekkenmengeling van Phil in de verhouding 50%-50% mijn naaldbomenzaden mengeling gegeven: 5 kg aleppozaden grof, 1kg lariks(lorken) zaden, 1kg klein zwart dennenzaad (Let op! Bij aankoop het zwart dennenzaad controleren op kwaliteit. Vaak zijn deze zaden leeg).

 


Ringen 2002: 20x3,2 en 20x 3,5 klik om te vergroten5/6 december 2001: Eerst liet ik de vogels rustig 5 dagen wennen aan hun nieuwe verblijf. Verplaatsen van vogels levert altijd enige stress bij de vogels op. Zeker omdat ik mijn zinnen had gezet op een algehele 2 daagse kuur met baycox (2ml per liter) tegen coccidiose, aangezien de vogels vanuit hun buitenverblijf komen (vochtige omstandigheden zo laat in het jaar). Ik zag dat vooral de grote kruisbek man er niet 100% bijzat. Mijn vogels krijgen alleen medicatie als daar aanleiding toe is. Dus niet standaard 1 of 2 maal per jaar, of zelfs maandelijks. Bij het gebruik van Baycox wil ik nog opmerken dat ik van een bekende kweker vernam, dat men bij het aanmaken van de verdunning, niet ruw met de fles moet schudden (waarbij de verdunning gaat schuimen), maar voorzichtig en rustig de baycox in het water mengt, waarna men rustig met een lepel roert. Bij ruw handelen gaat schijnbaar de werking van baycox verloren. ESB3-30% moet men in lauw water oplossen, schudden totdat de poeder is opgelost.

basiszaden1 december 2001: De vogels werden vanuit hun gezamenlijk buitenverblijf, naar de kweekruimte verplaatst. De teennagels werden geknipt en ringnummers genoteerd. Het water wordt aangeboden in zogenaamde hamsterdrinkflessen. Het voedsel bestaat uit de kruisbekkenmengeling van Phil Bamps aangevuld met wat gedroogde lijsterbessen, sparrezaden en een enkele pijnboompit (zoals deze gebruikt worden in salades, ze zijn er echt gek op!) Tevens staat er winterpeen op het menu, welke dagelijks verstrekt word.

 


26 november 2001: Kweekboxen in de kweekruimte zijn gereed: 4 aluminium boxen 80cm breed, 100cm diep en 200cm hoog en 1 aluminium box 100cm breed, 100cm diep en 200 cm hoog. De tussenwanden in de boxen zijn van MDF. Het dak van de boxen bestaan uit volièredraad waarboven een ondoorzichtige perspex plaat. De verlichting in de ruimte bestaat uit 3 dubbele TL-balken die boven de boxen werden gemonteerd, waardoor het licht in de kweekboxen van boven invalt. De boxen werden bekleed met enkele takken van de zwarte den, aangezien deze de naalden niet makkelijk verliest bij uitdroging. De bodem is bedekt met beukenstrooisel. 

pijnboompitten klik om te vergrotenTevens werd sepia aangebracht (waarvan de kruisbekken met graagte gebruik maken), een piksteen voor duiven (klei met mineralen) en een mineralen-maagkiezel-houtskool mengsel ter beschikking van de vogels gesteld. (pas op met een teveel aan houtskool, daar dit verstopping kan veroorzaken).  De zitstokken zijn van grenen. Deze zijn natuurlijk onderhevig aan de knaaglust van de kruisbekken, maar mijn ervaring is dat als men voldoende takjes, dennenkegels etc ter beschikking stelt, de zitstokken nagenoeg met rust worden gelaten. De zitstokken kunnen vanaf de voorkant van de kweekbox gemakkelijk verwijderd worden ten behoeve van reiniging. De ruimte is voorzien van een elektronische schemeringregelaar (ESR-500 van cetronics)De gloeilamp van 25 watt gaat gedurende een half uur s´morgens om 6.30uur heel langzaam feller branden totdat de 6 TL-buizen om 7.00uur aan gaan. De gloeilamp gaat nu uit. Tegen 19.00uur gaat de gloeilamp weer aan, waarna de TL-verlichting uitspringt. Nu brand alleen de gloeilamp nog, die op tijd van een half uur zover in lichtsterkte zal verminderen totdat men het met recht nachtverlichting mag noemen. Ook is er een radio in de ruimte aangesloten op de schemeringregelaar, zodat deze speelt gedurende de hele dag. Dit werkt rustgevend en vormt een afleiding voor de vogels tijdens de muisstille momenten die soms in een vogelverblijf kunnen voorkomen. De lengte van de dag bedraagt bij mij 12 uur, hoofdzakelijk in verband met mijn werk. Ik kan nu de vogels s´morgens voor ik ga werken voeren, en s´avonds heb nog een uurtje de tijd om b.v. ze te verzorgen, bestuderen of de vogels ringen etc...


 

DE HAAKBEK

 

 

 

 

 

 

 

 

 


106A Volwassen haakbek mannetje.
106b volwassen haakbek popje.
106c jeugdkleed haakbek.
110d jong haakbek mannetje 1e winter
110e volwassen haakbek popje (Pinicola enucleator alascensis)
110f jong haakbek mannetje 1e winter (Pinicola enucleator alascensis)
Tekening volgens Finches & sparrows door Clement, Harris & Davis. ISBN 0-7136-8017-2

Haakbekken kweken, niet altijd eenvoudig.
Piet de Dreu

Sinds we door de veranderde wetgeving alle soorten Europese vogels mogen houden, had ik mijn zinnen gezet op een koppel, haakbekken. In België zag je deze vogels zo nu en dan op tentoonstellingen wat mij dan het meest opviel aan deze vogels was de rust waarmee ze zicht showden in de Tentoonstellings kooi. Dus een koppel haakbekken moest er komen, eer je dergelijke vogels aanschaft wil je toch wel wat meer van ze weten dan blijkt dat er nog maar weinig artikelen over deze vogels bestaan in oude uitgaven van de K.E.V. vond ik wat informatie. Contact gezocht met een kweker van deze vogels en gevraagd of ik een koppel kon kopen het duurde tot eind 1998 eer de heer Moyart belde dat ik een koppel kon komen halen het was toen half december de vogels werden direct in de volière geplaatst waar ze samen bleven. De afmetingen zijn binnen gedeelte 1.3m lang 0.85 breed en 2.2 m hoog aansluitend een buiten volière van 2 m lang 0.85 breed en 2.2 hoog. Bodem bedekking binnen bestaat uit beuken snippers en buiten een betonvloer voorzien van een laag schelpen grit. Noel had het nodige over deze vogels verteld voeding, nest gewoonte en dergelijke.
Voeding was al het eerste probleem voor deze vogels ze worden meestal gehouden op een gewone wildzang mengeling, of kanarie mengeling maar als je naar de vorm van de snavel kijkt zie je dat ze zeker ook grovere zaden eten, dus eerst een andere zaad mengeling voor de vogels gezocht de firma Verselle laga brengt een speciale haakbeken mengeling op de markt deze mengeling vul ik nog aan met wat extra boomzaden verkrijgbaar bij Jan Konings de haakbekken dan het goed op deze mengeling. Onkruiden verstrek ik ook aan deze vogels afhankelijk van de tijd van het jaar paardebloem knoppen, teunisbloem, zuring, en bijvoet. Takken van de hazelaar, pruim appel of peer, elzen takken met proppen en wilgen katjes. Ziek zijn ze nog geen dag geweest ze krijgen 2 maal per jaar een kuur met esb 3, waar ze wel gevoelig voor zijn is schurft aan de poten maar dit is goed tebestijden door de poten meermaals met vaseline in tesmeren, en enkele druppels anti lucht pijpmijt van bogena in de nek te druppelen.
In het voorjaar van 1999 werd een nest gelegenheid bij de vogels gehangen en kokosvezel als nest materiaal verstrekt de pop sleepte wel wat met nest materiaal maar tot nestbouw en eieren kwam het niet de man zong zo nu en dan. De conditie van de vogels bleef goed, ze bleven ook deze winter samen wat geen problemen gaf. Geef de vogels ook regelmatig een ruim bad ze zullen daar direct gebruik van maken ze zijn dan zo nat dat ze nog nauwelijks kunnen vliegen, ook nemen ze graag een zonnebad net als goudvinken.
Het voorjaar brak aan en er veranderende duidelijk wat bij de haakbekken de man zong nu van s'morgens tot s'avonds laat ook werd hij nu wat dominanter tenopzichte van de pop, de pop was tot opheden de baas in de volière en bij de etens bak. Ook het gedrag van de pop veranderende duidelijk de takken van de wilgen katjes die nu in de volière hingen werden finaal door haar gesloopt zou het dit jaar dan lukken haakbekken te kweken. Begint mei de nest gelegenheid in kooi opgehangen dit bestaat uit een plankje van 25 x 25 cm als bodem met daarin een rond gat zodat daar een nestkom in past van 16 cm doorsnee zeker niet kleiner voorzien van een touw nest. Aan de bodem op een van de zijden brengen een plankje aan van 25 x 7 cm voor bevestiging aan de wand. Rond het nest hoef je geen groen of kunstgroen aanbrengen de pop sloop alles ze overziet graag alles wat in haar buurt gebeurt zorg er wel voor dat het nest goed vast zit .14 mei begint de pop met nestmateriaal te slepen het nest word op een wat donkere plaats gemaakt de man zong nu bijna constant en zette zijn veren op de kop hierbij op. 16 mei nam ik voor de eerste keer een paring waar, dit gebeurt op de bodem van de volière en niet op de stok zoals bij de meeste andere vogels. 18 mei lag het eerste ei in het nest wat nog niet half klaar was gelukkig was de nestkom voorzien van een touw nest de pop bouwde echter gewoon veder aan het nest, zondag 21 mei was het nest volledig klaar en begon ze met broeden 22 mei 5 eieren in het nest. De eieren werden niet geraapt. Nest controle is bij deze vogels geen enkel probleem de pop zit op de rand van het nest terwijl ik met mijn hand in het nest zit. Zondag 28 mei bleek bij nest controle dat 2 van de 5 eieren bevrucht waren het begin was er. De man voert de pop regelmatig op het nest en gaat er soms bij zitten dit verloopt allemaal nog zonder problemen, in de tweede week kreeg de man regelmatig van de pop op zijn kop wanneer hij weer eens uitbundig zat tezingen in de buiten volière zaterdags de dag voordat de eieren uit moeten komen keert de rust terug. Zondag morgen liggen er twee jongen in het nest ze lijken op jonge goudvinken.Eivoer wat de vogels krijgen bestaat uit kiemzaad pinky's en een deel konacorn en een deel brid mix met een hard gekookt ei en beschuitmeel dit wordt door de vogels goed opgenomen.
De man voerde vanaf de eerste dag goed mee. Ook werden nu witte meelwormen en meelworm poppen genomen. 8 juni jaagt de pop constant achter de man aan dit blijft duren en naar de jongen kijken ze niet meer om, de man uit gevangen en in een grote T.T. kooi in de gang pad geplaatst zodat ze elkaar konden zien, voor de man was het plaatsen in de kooi geen straf hij bleef gewoon zingen. De jongen met de spuit bijgevoerd gelukkig ging de pop weer op het nest om de jongen warm tehouden en ook voerde ze de jongen weer.
Op 9 juni de jongen zijn nu 5 dagen oud, tijd om te ringen. De ringen voorzien van stukje ventielslang iets wat ik normaal nooit doe maar de haakbek houd zijn nest zo schoon dat ik geen risico neem het ringen zelf geeft problemen. 12juni de man weer bij de pop gelaten ze hing meer aan het gaas dan dat ze naar haar jongen keek, de man gaat direct naar het voer bak en even later zit hij de jongen te voeren. 2 dagen later gaat het weer mis de man weer uitgevangen, hij bleef achter de pop aan zitten om met haar te paren het was zo erg dat de pop in een hoekje op de bodem zat en zich niet meer durfde bewegen zodra ze dit deed dook de man erbovenop als ik niet zou in gerijpen zou dit de dood van de man of de pop beteken het was toen net zo warm. 17 juni zie ik de pop weer met kokos vezel slepen het liefst gebruikt ze de gebleekt uitvoering hiervan. De man er bij gelaten en direct volgt een paring. De jongen liggen nog in het nest dus een nieuw nest opgehangen, direct begint ze met de nestbouw de man voert de jongen verder. 18 juni vliegen de jongen uit hoewel van uitvliegen eigelijk ging sprake is ze laten zicht zo uit het nest vallen, zorg er voor dat de jongen van de grond kunnen komen wanneer ze op de grond blijven speren ze niet dit ondanks de oude vogels voer aanbieden, ik heb een rekje en enkele stenen in de volière geplaatst wat verder opvalt is dat het ene jong duidelijk groter is dan het andere. Waarom de pop een nieuw nest bouwt is mij een raadsel het oude nest is nog zo schoon dat het lijkt of het niet gebruikt is, de oude vogels dragen alle mest weg. 20 juni legt de pop het eerste ei van het tweede legsel nog twee eieren volgen in het nest het vierde ei word vanaf de stok gelegd is dus kapot. Dit komt waarschijnlijk door dat te man weer er fel is, eet misschien zelf meer pinky's dan dat hij aan de jongen voert de man weer maar uitgevangen en afwachten wat er gaat gebeuren de pop gaat niet tot broeden over maar zorgt wel voor de jongen. Toevallig woensdag een telefoontje van een vriend hoe het met de haakbekken ging ik vertelde hem hoe het er voor stond, hij had een goudvink op onbevruchte eieren zitten en kon de eieren daar wel onder leggen, deze eieren bleken echter onbevrucht te zijn. Dan denk je einde kweek seizoen van de haakbek daar in de informatie die over deze vogels bestaat ze een hooguit twee broedsels per jaar hebben, maar 2 jongen is beter dan niets. Groot was dan ook de verrassing toen ik 29 juni in de volière kwam en de pop op het nest aantrof eerst denk je dan eieren te vroeg weg gehaald, toen de pop even later van het nest was gekeken daar lag weer een ei er volgenden er nu 3 zodat dit legsel uit 4 eieren bestaat de pop gaat nu broeden. De jongen beginnen op een leeftijd van 4 weken ook zelf wat te eten, maar als ze de kans krijgen bedelen ze bij de man die ze dan ook wat toe stopt Alles verloopt zoals bij het eerst legsel de man zingt volop en krijgt dus weer regelmatig op zijn kop. De pop zit weer vast te broeden word daarbij regelmatig gezelschap gehouden door een van de jongen waarschijnlijk een pop de andere is een man. Zelfs wanneer er foto's gemaakt worden van een afstand van 80 cm met flits licht komt ze nog niet van het nest. 15 juli waren er 2 van de 4 eieren uitgekomen, 16 juli waren er 3 jongen het 4e ei is niet uitgekomen de eerste 2 jongen groeien weer als kool het derde jong blijft achter en is 19 juli s'morgens dood de 2 overgebleven jongen worden 20 juli geringd, de ringen worden weer voorzien van een stukje ventielslang. De jongen van het eerste nest die nu 6 weken oud zijn zitten nog steeds bij de oude vogels en worden met rust gelaten. Wanneer ik nieuw eivoer neer zet komt eerst de pop eten en dan de twee jongen als de man dan ook komt bedelen ze direct bij hem om voedsel wat ze nog steeds van hem krijgen. De dood van het derde jong wijt ik volledig aan mij zelf ik had de hoeveelheid pinky's op moeten voeren omdat de jongen van het eerste nest hier ook volop van eten. Zodag 23 juli lag een jong dood op de grond naar de reden kan ik alleen maar raden de buurman had tegen de muur beton tegels gezet wat met het nodig lawaai gepaard ging misschien is de pop daar van geschrokken en is bij het wegvliegen het jong uit het nest gevallen of misschien is het jong niet gevoerd en daar door dood gegaan. De man is nu zwaar in de rui en help de pop niet bij het voeren van de jonge hij voerde de eerste ronde juist wel mee en beter dan de pop. Wat opvalt is dat de pop nu bijzonder tam is als ze op het plankje bij het nest zit neemt ze zowel van mij als van mijn vrouw pinky's uit de hand aan, dit dat ze zo zacht dat je nauwelijks voelt dat ze het tussen je vingers uit pakt.Ik hoop dat ik het overgebleven jong wel op stok komt zondag 30 juli is het over gebleven jong uit het nest en een paar uur later zit het al op het laddertje en word door de pop gevoerd, zodat ik nu wel durf te zeggen dat dit kweek seizoen met 3 jonge haakbekken afgesloten kan worden, de eerste 2jongen zijn bijna niet meer van de oude vogels te onderscheiden alleen aan de kop vorm en kleur is het verschil nog te zien. Dat het terecht is de ringen van een stukje ventiel slang te voorzien bleek zaterdag 29 juli toen Frans Pijnen de voorzitter van de spec. Club Europese cultuurvogels dia's kwam maken omzijn verzameling aan te vullen, voor deze gelegenheid werd het nest van de muur geschroefd om buiten te kunnen fotograferen de schroef waarmee het nest vast zat werd in de etensbak gelegd toen we terug kwamen was de schroef weg deze was door de vogels mee genomen naar de buiten volière en door het gaas naar buiten gewerkt, met de ringen zullen deze vogels op dezelfde mannier omgaan. Zo het er nu uitziet zal ik deze vogels inzenden op onze jubileum show te Hintham. Vrijdag morgen 25 aug. Lag plotseling een van de oudste jongen dood zonder een direct aanwijsbare reden, de avond er voor hadden we nog naar de vogels staan kijken toen ze buiten zaten, je kon duidelijk zien dat het een man en een pop waren. Het dode jong was niet mager had geen vergrote lever of op gezette darmen, hij lag dood met een zaad korrel nog in zijn snavel het leek wel of hij door een hart aanval om het leven gekomen was. Begin oktober is mijn kweekman door een infectie met het pokken virus gestorven de infectie zat in de keel waardoor de vogel eigenlijk de honger dood is gestorven, hij kon niet meer voldoende voedsel tot zich nemen. Toen de vogel op een morgen dood lag zaten de jonge vogels en de oude pop naast hem op de grond. De vogels wisten schijnbaar goed dat hij dood was want nadat ik de dode man had weggehaald heb ik ze niet meer om hem horen roepen, toen ik enkele dagen daarvoor met de man naar de dieren arts was hebben ze constant zitten roepen. Voor mensen die de haakbek niet kennen denken misschien wat een vreemd verhaal, maar kwekers van de haakbek zullen mijn verhaal kunnen bevestigen het zijn zeer sociale vogels. Onder tussen ben ik weer in bezit van een nieuwe man ik hoop hiermee in het nieuwe kweek seizoen resultaat te halen.

Conclusie ik hoop dat dit artikel ertoe mag bijdragen dat meer mensen deze mooie vogels gaan houden en kweken, het zijn niet de makkelijkste vogels zeker in de broedtijd er is veel tijd nodig voor observatie maar het zijn wel vogels waar men veel plezier aan kan beleven door hun rustige aard en ze worden zeer vertrouwelijk worden met hun verzorgers.